ECLI:NL:RVS:2024:3138
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling wegens misbruik van recht bij aanvraag EU-recht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 29 maart 2024 in bewaring. De vreemdeling had op 21 maart 2024 een aanvraag om toetsing aan het EU-recht ingediend, die volgens hem procedureel rechtmatig verblijf zou opleveren. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen de bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De minister maakte aannemelijk dat de vreemdeling de aanvraag kunstmatig had ingediend om de voorwaarden voor procedureel rechtmatig verblijf te creëren en zo invrijheidsstelling te voorkomen, terwijl het doel van de Unieregeling niet werd bereikt. De aanvraag bevatte geen relevante informatie, geen verblijfsdoel, geen referent of onderbouwing, en werd afgewezen op 29 april 2024.
De Afdeling oordeelt dat zowel het objectieve als het subjectieve vereiste voor misbruik van recht zijn vervuld. De vreemdeling diende de aanvraag vlak voor zijn geplande uitzetting in, zonder relevante feiten aan te voeren. Ook diende hij de aanvraag niet op de juiste plaats in volgens het Vreemdelingenbesluit 2000. De bewaring is daarom gegrond en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De bewaring van de vreemdeling wordt bevestigd wegens misbruik van recht bij de aanvraag om toetsing aan het EU-recht.