ECLI:NL:RVS:2024:3129
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging bewaring vreemdeling door Raad van State na hoger beroep
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 26 april 2024 in bewaring. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 14 mei 2024 het beroep ongegrond verklaarde en het verzoek om schadevergoeding afwees. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin beïnvloeden. De rechtsvraag over de informatieplicht van de minister was reeds eerder beantwoord in een uitspraak van 24 juli 2024. De Afdeling zag geen reden om het besluit tot bewaring onrechtmatig te achten.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd bepaald dat de minister niet gehouden is tot vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 31 juli 2024.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.