ECLI:NL:RVS:2024:3105

Raad van State

Datum uitspraak
31 juli 2024
Publicatiedatum
31 juli 2024
Zaaknummer
202204703/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verzoek om schadevergoeding in het kader van strafrechtelijk onderzoek

In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellante] tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 juli 2022, waarin het beroep van [appellante] tegen de afwijzing van haar verzoek om schadevergoeding door de hoofdofficier van Justitie ongegrond werd verklaard. De hoofdofficier had op 15 november 2021 het verzoek om schadevergoeding afgewezen en bij besluit van 29 november 2021 het bezwaar van [appellante] niet-ontvankelijk verklaard, omdat het verzoek geen bestuursrechtelijke aangelegenheid zou zijn. De rechtbank oordeelde dat de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet van toepassing was, aangezien het verzoek van [appellante] betrekking had op schadevergoeding in het kader van een strafrechtelijk onderzoek.

Tijdens de zitting op 16 juli 2024 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de zaak behandeld. [appellante] betoogde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de Awb niet van toepassing was en dat de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) wel degelijk van toepassing zou zijn. De Afdeling oordeelde echter dat de gronden die [appellante] in hoger beroep aanvoerde grotendeels een herhaling waren van wat zij eerder in beroep had aangevoerd. De rechtbank had gemotiveerd op deze gronden ingegaan en [appellante] had geen nieuwe redenen aangedragen waarom de beoordeling van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn.

De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De hoofdofficier van Justitie werd niet verplicht om de proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd openbaar uitgesproken op 31 juli 2024.

Uitspraak

202204703/1/A3
Datum uitspraak: 31 juli 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend in [woonplaats],
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Noord­-Nederland van 15 juli 2022 in zaak nr. 21/3808 in het geding tussen:
[appellante]
en
de hoofdofficier van Justitie.
Procesverloop
Bij brief van 15 november 2021 heeft de hoofdofficier het verzoek van [appellante] om schadevergoeding afgewezen.
Bij besluit van 29 november 2021 heeft de hoofdofficier het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 15 juli 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 16 juli 2024.
Overwegingen
Inleiding
1.       [appellante] wordt verdacht van het plegen van een strafbaar feit. Zij is hiervoor gedagvaard om voor de politierechter te verschijnen. In het kader van deze strafzaak heeft de hoofdofficier aan de reclassering gevraagd om een advies uit te brengen. Naar aanleiding hiervan heeft reclasseringsorganisatie Verslavingszorg Noord-Nederland [appellante] uitgenodigd voor een gesprek.
Over dit verzoek van de hoofdofficier aan de reclassering om advies uit te brengen heeft [appellante] bij brief van 27 oktober 2021 een klacht bij de hoofdofficier ingediend en verzocht om schadevergoeding. De hoofdofficier heeft bij brief van 15 november 2021 meegedeeld dat de klacht niet in behandeling wordt genomen en dat het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen. Tegen de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding heeft [appellante] bezwaar gemaakt. Bij besluit van 29 november 2021 heeft de hoofdofficier geoordeeld dat het verzoek om schadevergoeding geen bestuursrechtelijke aangelegenheid betreft en de brief van 15 november 2021 daarom geen besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), waartegen bezwaar kan worden gemaakt.
Uitspraak van de rechtbank
2.       De rechtbank heeft zich bevoegd verklaard om van het beroep kennis te nemen. De rechtbank heeft geoordeeld dat hoofdstukken 2 tot en met 8 van de Awb in deze zaak niet van toepassing zijn omdat het verzoek van [appellante] ziet op schadevergoeding in het kader van een strafrechtelijk onderzoek. Dit valt volgens de rechtbank buiten het bestuursrecht. Daarom staat tegen de brief geen bezwaar en beroep open. Ten slotte heeft de rechtbank geoordeeld dat de Algemene verordening gegevensbescherming (hierna: de AVG) in deze zaak niet van toepassing is. Uit artikel 2, tweede lid, aanhef en onder d van de AVG volgt dat de AVG niet van toepassing is op de verwerking van persoonsgegevens met het oog op het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten. Dat is hier het geval, aldus de rechtbank.
Beoordeling van het hoger beroep
3.       [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de Awb niet van toepassing is. Hiertoe voert zij aan dat geen sprake is van verwerking van persoonsgegevens voor de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen. [appellante] betoogt ook dat de AVG wel van toepassing is. De verwerking van persoonsgegevens is volgens haar niet gedaan met het oog op onderzoek, opsporing of vervolging van strafbare feiten. Richtlijn 2016/680 is daarom niet van toepassing, aldus [appellante].
3.1.    De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de uitspraak van de rechtbank onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.
Het betoog slaagt niet.
Slotsom
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd.
5.       De hoofofficier hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. F.B. van der Maesen de Sombreff, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2024
190-990