ECLI:NL:RVS:2024:2988
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- C.H. Bangma
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering Nederlands paspoort wegens niet-verkregen Nederlanderschap bij geboorte
Appellant, geboren in Egypte in 1999, heeft een Nederlands paspoort aangevraagd. De minister van Buitenlandse Zaken heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat niet kon worden vastgesteld dat zij bij haar geboorte de Nederlandse nationaliteit had verkregen. Dit kwam doordat haar vader, die volgens Egyptisch recht Nederlands was, op dat moment in een bigaam huwelijk leefde, wat in Nederland niet wordt erkend vanwege strijd met de openbare orde.
De rechtbank oordeelde dat appellant niet als kind van een Nederlandse vader kon worden beschouwd op grond van Nederlands recht, en dat zij het Nederlanderschap niet had verkregen. Appellant stelde in hoger beroep dat deze weigering in strijd was met internationale verdragen zoals het Europees Verdrag inzake Nationaliteit (EVN), het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK) en het Unierecht.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verwierp deze bezwaren. Het bigame huwelijk was onverenigbaar met de Nederlandse openbare orde, waardoor appellant niet automatisch Nederlander werd bij geboorte. Hoewel zij na ontbinding van het eerste huwelijk door haar vader erkend had kunnen worden tot haar meerderjarigheid, heeft deze erkenning niet plaatsgevonden. Er was geen sprake van discriminatie of schending van het recht op familieleven. Ook het beroep op het Unierecht faalde omdat appellant nooit Nederlander is geweest.
De Afdeling bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de aanvraag om een Nederlands paspoort wordt bevestigd omdat appellant niet het Nederlanderschap heeft verkregen.