202307893/2/A2.
Datum uitspraak: 17 januari 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoekster], wonend te [woonplaats],
verzoekster,
en
het college van beroep voor de examens van de Technische Universiteit Delft (hierna: het college),
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 17 januari 2024 om 14:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad mr. J.M. Willems, voorzieningenrechter
griffier: mr. M. Rijsdijk
Verschenen:
[verzoekster], bijgestaan door mr. M.S.M. Nolte, advocaat te Leiden;
het college, vertegenwoordigd door mr. S.M.M. Meijer, advocaat te Bleiswijk.
Bij beslissing van 30 augustus 2023 heeft de decaan van de faculteit Civiele Techniek en Geowetenschappen aan [verzoekster] een bindend negatief studieadvies gegeven voor de bacheloropleiding Civiele Techniek. Bij beslissing van 24 november 2023 heeft het college het door [verzoekster] daartegen ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Tegen deze beslissing heeft [verzoekster] beroep bij de Afdeling ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Ter zitting hebben [verzoekster] en het college hun standpunten nader toegelicht.
De voorzieningenrechter
I. wijst het verzoek toe;
II. schorst bij wijze van voorlopige voorziening de beslissing van het college van beroep voor de examens van de Technische Universiteit Delft van 24 november 2023, met kenmerk 2023-0192, totdat op het beroep is beslist;
III. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat [verzoekster] hangende haar beroep bij de Afdeling zo spoedig mogelijk wordt toegelaten tot de bacheloropleiding Civiele Techniek en mag deelnemen aan het onderwijs en de tentamens voor deze opleiding totdat op het beroep is beslist, te beginnen met het tentamen Dynamica en Modelvorming op 25 januari 2024;
IV. veroordeelt het college van beroep voor de examens van de Technische Universiteit Delft tot vergoeding van bij [verzoekster] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1756,32, waarvan € 1750,00, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
V. gelast dat het college van beroep voor de examens van de Technische Universiteit Delft aan [verzoekster] het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 50,00 aan haar vergoedt.
Daartoe overweegt de voorzieningenrechter het volgende.
- Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
- Tussen partijen is in geschil of de decaan, gelet op de persoonlijke omstandigheden van [verzoekster], haar een bindend negatief studieadvies mocht geven.
- De voorzieningenrechter ziet af van de inhoudelijke beoordeling van het beroep vooruitlopend op de behandeling in de hoofdzaak. De vraag of een voorlopige voorziening moet worden getroffen beantwoordt de voorzieningenrechter daarom aan de hand van een belangenafweging.
- Tegenover het belang van [verzoekster] om, in afwachting van het oordeel over haar beroep in de hoofdzaak, toegang te krijgen tot het onderwijs en de tentamens zodat zij verdere studievertraging zoveel mogelijk kan beperken, heeft het college als belang genoemd dat het ervan overtuigd is dat de beslissing in de hoofdzaak stand zal houden. Dat belang legt naar het oordeel van de voorzieningenrechter op zichzelf in deze procedure geen gewicht in de schaal, omdat de juistheid van het standpunt van het college nu juist in de bodemprocedure zal worden beoordeeld. Verder heeft het college de mogelijke benadeling van andere studenten met wie [verzoekster] zou moeten samenwerken genoemd. De voorzieningenrechter acht dat in dit stadium van de procedure te weinig concreet en daarom onvoldoende, gelet op de niet weersproken stelling van [verzoekster] dat de komende periode alleen individuele tentamens plaatsvinden en geen onderwijs waarin zij met andere studenten moet samenwerken. Dat leidt ertoe dat de voorzieningenrechter aan het belang van [verzoekster] in dit stadium meer gewicht toekent en het verzoek toewijst.
w.g. Willems
voorzieningenrechter
w.g. Rijsdijk
griffier
705-1090