ECLI:NL:RVS:2024:2849
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging inreisverbod ondanks niet-beëdigde tolk bij spoedeisendheid
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid vaardigde op 4 mei 2022 een inreisverbod uit tegen de vreemdeling. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 28 februari 2024 het beroep ongegrond verklaarde. De vreemdeling ging in hoger beroep tegen deze uitspraak.
De kern van het geschil betrof het gebruik van een niet-beëdigde tolk Portugees tijdens het proces-verbaal van gehoor, terwijl de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) voorschrijft dat alleen in spoedeisende gevallen of bij afwezigheid van een beëdigde tolk mag worden afgeweken van deze eis, mits dit schriftelijk en gemotiveerd wordt vastgelegd.
De Raad van State oordeelde dat de minister dit aanvankelijk niet schriftelijk had vastgelegd, maar dat dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro kon worden gepasseerd omdat de minister in het verweerschrift alsnog schriftelijk en gemotiveerd had gesteld dat sprake was van spoed vanwege de geplande uitzetting op 6 mei 2022. De vreemdeling had bovendien niet betwist dat hij de tolk kon verstaan, waardoor geen nadeel was ontstaan.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd met verbetering van de gronden. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod bevestigd met proceskostenveroordeling van de minister.