ECLI:NL:RVS:2024:2492
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling vergunningplicht kamerbewoning en toetsing leefbaarheid in Rotterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam verleende op 27 juli 2020 aan partij A een vergunning voor kamerbewoning voor maximaal vier personen in een woning aan een locatie in Rotterdam. Nadat de eigendom van de woning was overgegaan op SLP B.V., ontstond discussie over de vergunningplicht voor kamerbewoning en de toepassing van hoofdstuk 3 van de Huisvestingsverordening 2019.
De rechtbank oordeelde dat hoofdstuk 3 buiten toepassing moest worden gelaten, waardoor het college SLP B.V. geen vergunningplicht kon tegenwerpen en vernietigde het besluit op bezwaar van 8 februari 2022. Het college stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte hoofdstuk 3 buiten toepassing heeft gelaten. SLP B.V. heeft wel degelijk een vergunningplicht voor kamerbewoning. De Afdeling bevestigt dat het college bij de beoordeling van de vergunningaanvraag een zorgvuldige belangenafweging moet maken, onder meer over de invloed van clustering van studentenhuizen en het vrijwilligerswerk van bewoners op het woonmilieu en de leefbaarheid.
De Afdeling vernietigt het deel van de uitspraak van de rechtbank dat het besluit van 30 maart 2021 vernietigde en het besluit van 27 juli 2020 herroept, en bevestigt het overige. Het besluit van 30 maart 2021 blijft daarmee in stand. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van het college wordt gegrond verklaard en het besluit van 30 maart 2021 blijft in stand.