Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2024:2396

Raad van State

Datum uitspraak
12 juni 2024
Publicatiedatum
12 juni 2024
Zaaknummer
202204696/1/A3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 AwbArt. 47 Paspoortwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over vervallen Nederlandse paspoorten wegens onjuiste gegevens bij aanvraag

Bij brieven van 10 mei 2021 heeft de minister van Buitenlandse Zaken aan drie wederpartijen medegedeeld dat zij niet over het Nederlanderschap beschikken en dat hun Nederlandse paspoorten van rechtswege zijn vervallen en worden ingetrokken vanwege het gebruik van onjuiste gegevens bij de aanvraag. De minister verklaarde het daaropvolgende bezwaar niet-ontvankelijk, omdat de mededeling niet op rechtsgevolg zou zijn gericht.

De rechtbank Gelderland oordeelde echter dat de vaststelling van het gebruik van onjuiste gegevens wel een besluit met rechtsgevolgen is, waardoor bezwaar en beroep mogelijk zijn. De rechtbank vernietigde het besluit van 20 juli 2021 en beval een nieuw besluit op het bezwaar. De minister nam vervolgens een inhoudelijk besluit op bezwaar op 21 oktober 2022, dat ongegrond werd verklaard.

De minister stelde hoger beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank, stellende dat de brieven slechts feitelijke mededelingen waren en geen zelfstandige besluiten met rechtsgevolg. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de vaststelling in de brieven wel een besluit is in de zin van de Algemene wet bestuursrecht, omdat het rechtsgevolg van het vervallen van de paspoorten wordt beoogd.

De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en verwees het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2022 terug naar de rechtbank. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het heffen van griffierecht.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de uitspraak van de rechtbank en verwijst het beroep tegen het bezwaarbesluit naar de rechtbank.

Uitspraak

202204696/1/A3.
Datum uitspraak: 12 juni 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de minister van Buitenlandse Zaken,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 5 juli 2022 in zaak nr. 21/5006 in het geding tussen:
[wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C],
en
de minister.
Procesverloop
Bij brieven van 10 mei 2021 heeft de minister medegedeeld dat [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] niet over het Nederlanderschap beschikken en dat daarom hun Nederlandse paspoorten van rechtswege zijn vervallen en worden ingetrokken.
Bij besluit van 20 juli 2021 heeft de minister het voor [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 5 juli 2022 heeft de rechtbank het door [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 20 juli 2021 vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar moet nemen.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
[wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Bij besluit van 21 oktober 2022 heeft de minister het voor [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] tegen de brieven van 10 mei 2021 gemaakte bezwaar alsnog ongegrond verklaard.
[wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] en de minister hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 april 2024, waar de minister van Buitenlandse Zaken, vertegenwoordigd door mr. L.H.T. Geuzendam en mr. I.S. IJserinkhuijsen, is verschenen.
Overwegingen
Inleiding
1.       Bij brieven van 10 mei 2021 heeft de minister medegedeeld dat [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] niet over het Nederlanderschap beschikken en dat daarom hun Nederlandse paspoorten van rechtswege zijn vervallen en worden ingetrokken. Daarbij wordt hen opgedragen de paspoorten zo spoedig mogelijk in te leveren. De minister heeft het bezwaar van [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] niet-ontvankelijk verklaard omdat de mededeling niet op rechtsgevolg gericht is en daartegen dus geen bezwaar kan worden gemaakt.
2.       Gevolg gevend aan de opdracht die de rechtbank in haar uitspraak heeft gegeven, heeft de minister een nieuw besluit genomen. Bij besluit van 21 oktober 2022 heeft de minister het bezwaar alsnog inhoudelijk beoordeeld en ongegrond verklaard.
Uitspraak van de rechtbank
3.       De rechtbank heeft overwogen dat de brieven van 10 mei 2021 de mededeling bevatten dat [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] niet over het Nederlanderschap beschikken, omdat is vastgesteld dat bij de aanvragen gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens, die hebben geleid tot het verstrekken van de reisdocumenten. Het huwelijk van de moeder van [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] stond immers niet vermeld op het bij de aanvragen overgelegde uittreksel uit de Basisregistratie Personen, zodat er onterecht van is uitgegaan dat de erkenning van [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] door [gemachtigde] rechtsgeldig is. Deze vaststelling, die in de brieven van 10 mei 2021 voor het eerst kenbaar wordt gemaakt, zorgt ervoor dat artikel 47 van Pro de Paspoortwet van toepassing is en bijgevolg dat de paspoorten van rechtswege zijn vervallen. Deze vaststelling gaat daarmee vooraf aan de van rechtswege ingetreden rechtsgevolgen van die vaststelling. In zoverre is deze vaststelling daardoor zelfstandig op rechtsgevolg gericht, zodat sprake is van een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). De minister heeft daarom ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.
Hoger beroep
4.       De minister voert aan dat de rechtbank heeft miskend dat de reisdocumenten van rechtswege zijn vervallen op grond van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder h, van de Paspoortwet. De constatering in de brieven van 10 mei 2021 betreft een rechtsgevolg dat van rechtswege is ingetreden. Deze mededeling is daarom niet gericht op rechtsgevolg. De brieven bevatten slechts een feitelijke mededeling van een bestaande situatie. Het uit de wet voortvloeiende rechtsgevolg van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder h, van de Paspoortwet heeft al werking vanaf het moment dat de paspoorten met gebruikmaking van onjuiste gegevens zijn afgegeven. Dat dit rechtsgevolg pas zichtbaar is geworden door de vatstelling in de brieven van 10 mei 2021, betekent niet dat die brieven vooraf gaan aan het van rechtswege ingetreden rechtsgevolg van artikel 47 van Pro de Paspoortwet en daarmee zelfstandig gericht zijn op rechtsgevolg. De verplichting tot inhouding van de paspoorten betreft voorts een administratieve handeling die geen verandering brengt in de rechtsverhouding tussen de betrokkenen en de minister.
4.1.    Artikel 47, eerste lid, aanhef en onder h, van de Paspoortwet luidt als volgt: Een reisdocument vervalt van rechtswege, indien door een met de uitvoering van deze wet belaste autoriteit is vastgesteld dat bij de aanvraag gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens, die hebben geleid tot het verstrekken van het reisdocument.
4.2.    De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de vaststelling in de brieven van 10 mei 2021 dat bij de aanvragen gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens, een besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Met de vaststelling in de brieven van 10 mei 2021 dat bij de aanvragen gebruik is gemaakt van onjuiste gegevens is een rechtsgevolg beoogd, namelijk het vervallen van de reisdocumenten. Daarmee staat bezwaar en beroep open tegen die vaststelling. De Afdeling heeft in gelijke zin geoordeeld in de uitspraak van de Afdeling van 17 november 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BO4231.
4.3.    Het betoog slaagt niet.
Besluit van 21 oktober 2022
5.       Bij besluit van 21 oktober 2022 heeft de minister gevolg gegeven aan de uitspraak van de rechtbank en het bezwaar inhoudelijk beoordeeld. Daarbij is niet aan alle bezwaren van [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] tegemoetgekomen. Bij brief van 8 december 2022 hebben zij zich uitdrukkelijk verzet tegen de behandeling, met toepassing van artikel 6:19 van Pro de Awb, van het beroep door de Afdeling. Dit in aanmerking nemende ziet de Afdeling aanleiding het beroep tegen de beslissing van 21 oktober 2022 naar de rechtbank te verwijzen.
Conclusie
6.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. De Afdeling ziet aanleiding met toepassing van artikel 6:19, vijfde lid, gelezen in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Awb, de zaak te verwijzen naar de rechtbank om haar in staat te stellen te beslissen op het beroep van [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C], voor zover dat geacht wordt gericht te zijn tegen het besluit van 21 oktober 2022.
7.       De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de aangevallen uitspraak;
II.       verwijst de zaak, voor zover het betreft het beroep tegen het besluit van 21 oktober 2022, naar de rechtbank Gelderland.
III.      veroordeelt de minister van Buitenlandse Zaken tot vergoeding van bij [wederpartij A], [wederpartij B] en [wederpartij C] in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 875,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
IV.     bepaalt dat van de minister van Buitenlandse Zaken een griffierecht van € 548,00 wordt geheven.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, voorzitter, en mr. C.H. Bangma en mr. J. Schipper-Spanninga, leden, in tegenwoordigheid van mr. C.A.M. van Deventer-Lustberg, griffier.
w.g. Van Altena
voorzitter
w.g. Van Deventer-Lustberg
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 juni 2024
1105