ECLI:NL:RVS:2024:2327
Raad van State
- Hoger beroep
- J.E.M. Polak
- N. Verheij
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag voorrangsregeling huurwoningen zorgpersoneel na echtscheiding
Appellant, werkzaam als persoonlijk begeleider sinds 2006 in Amsterdam, verzocht op 11 juli 2021 om toelating tot de voorrangsregeling voor zorgpersoneel vanwege zijn echtscheiding en het zoeken van een sociale huurwoning voor zichzelf en zijn minderjarige dochter. Het college wees de aanvraag op 30 augustus 2021 af, stellende dat appellant niet viel onder de voorrangscategorieën van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020.
Appellant maakte bezwaar en stelde dat hij op grond van artikel 2.3.7, vijfde lid, aanhef en onder c, van de verordening wel voorrang toekwam en dat zijn persoonlijke situatie onvoldoende was betrokken. Het college verklaarde het bezwaar ongegrond op 4 februari 2022. De rechtbank Amsterdam bevestigde dit op 5 januari 2023, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat het college terecht had geoordeeld dat appellant niet voldeed aan de voorrangscategorieën, mede omdat hij de echtelijke woning nog kon opeisen en dus niet zonder zelfstandige woonruimte was. Het motiveringsgebrek in het besluit van 4 februari 2022 werd gepasseerd omdat appellant daardoor niet benadeeld was. Ook de niet-toetsing van de hardheidsclausule leidde niet tot benadeling. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag tot toelating tot de voorrangsregeling bevestigd.