ECLI:NL:RVS:2024:1872
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging boetebesluit wegens onterecht onttrekken woning aan woningvoorraad
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam legde aan appellante een boete van €20.500,- op wegens het zonder vergunning onttrekken van een woning aan de woningvoorraad. Appellante verhuurde de woning aan werknemers van een uitzendbureau, die de woning gebruikten als dienstwoning. Het college stelde dat de woning kortdurend werd verhuurd en niet als hoofdverblijf werd gebruikt, wat in strijd zou zijn met artikel 21 van Pro de Huisvestingswet 2014.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. Appellante stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Zij voerde onder meer aan dat de bewoners wel degelijk hun hoofdverblijf hadden in de woning en dat het college zijn bevoegdheden had overschreden.
De Afdeling oordeelde dat het college onvoldoende had aangetoond dat de woning niet werd gebruikt als hoofdverblijf. De inschrijving in de basisregistratie personen ontbrak, maar dit was onvoldoende om te concluderen dat de bewoners geen hoofdverblijf hadden. Ook het ontbreken van een schriftelijke huurovereenkomst en de duur van de uitzendovereenkomsten waren onvoldoende om het gebruik als hoofdverblijf te ontkennen.
De Afdeling vernietigde het boetebesluit en het besluit op bezwaar, en veroordeelde het college tot vergoeding van de proceskosten van appellante. De uitspraak van de rechtbank werd eveneens vernietigd en vervangen door deze uitspraak.
Uitkomst: Het boetebesluit wegens onttrekking van de woning aan de woningvoorraad wordt vernietigd en het beroep van appellante wordt gegrond verklaard.