ECLI:NL:RVS:2024:1588
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing toevoeging voor proceskostenvergoeding in bezwaar tegen IND-besluit
Appellant diende een aanvraag om toevoeging in voor rechtsbijstand bij beroep tegen een besluit van de Immigratie- en naturalisatiedienst (IND). Hoewel het bezwaar tegen de IND gegrond werd verklaard en een verblijfsdocument werd afgegeven, werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. De raad voor rechtsbijstand wees de aanvraag om toevoeging af omdat de advocaatkosten niet opwogen tegen het belang van appellant.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat het op geld waardeerbare belang onder de drempel van €500 bleef, mede omdat appellant al een toevoeging zonder eigen bijdrage had ontvangen voor de bezwaarprocedure. Appellant voerde aan dat er andere financiële belangen waren, maar deze werden niet onderbouwd en daarom buiten beschouwing gelaten.
In hoger beroep bevestigde de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State de eerdere uitspraken. De Afdeling oordeelde dat de rechtbank terecht het financieel belang beperkte tot daadwerkelijk gemaakte kosten en dat geen zwaarwegende belangen of persoonlijke omstandigheden waren aangetoond. Tevens werd overwogen dat de raad niet verplicht was om nadere inlichtingen te vragen omdat de verstrekte gegevens voldoende waren voor een beslissing.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de toevoeging bevestigd.