ECLI:NL:RVS:2024:152
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep tegen beslissing examencommissie over verlopen studieresultaten en aanvullende eisen masteropleiding fiscaal recht
Appellant begon in 2014-2015 met de masteropleiding fiscaal recht en behaalde bijna alle vakken behalve de masterscriptie met verdediging. In 2022-2023 rondde hij de scriptie af en verdedigde deze succesvol op 30 januari 2023, maar ontving toen nog geen masterdiploma. Op 2 februari 2023 stelde de examencommissie vast dat drie vakken waren verlopen en legde aanvullende eisen op voordat de graad verleend kon worden.
Appellant voerde aan dat zijn mondelinge verdediging ook het masterexamen was en dat de beslissing over verlopen studieresultaten te laat en onzorgvuldig was genomen, in strijd met de WHW en OER. Hij vond het onevenredig dat hij alle vakken opnieuw moest doen en dat niet bleek welk bestuursorgaan de beslissing had genomen.
De examencommissie en het college stelden dat de beslissing zorgvuldig en binnen hun bevoegdheid was genomen, waarbij ook de vakdocenten waren geraadpleegd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het onderscheid tussen tentamen en examen juridisch relevant is en dat de examencommissie bevoegd was de beslissing na de verdediging te nemen.
De Afdeling vond de besluitvorming zorgvuldig en evenwichtig, waarbij de aanvullende eisen proportioneel waren en het evenredigheidsbeginsel niet was geschonden. Het gebrek aan motivatie in de beslissing van 2 februari 2023 werd gepasseerd omdat appellant hierdoor niet werd benadeeld. Het beroep werd ongegrond verklaard, maar het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en de aanvullende eisen vanwege verlopen studieresultaten blijven van kracht.