ECLI:NL:RVS:2024:1391
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging invordering dwangsom wegens overtreding bestemmingsplan recreatiewoningen
Appellant was eigenaar van een perceel in Soesterberg waar het bestemmingsplan maximaal 31 recreatiewoningen toestaat. Bij besluit van 19 maart 2020 werd appellant gelast het aantal recreatiewoningen terug te brengen tot 31, met een dwangsom van €25.000,- bij niet-naleving.
Tijdens een controle op 3 december 2021 bleek dat niet aan deze last was voldaan. Het college maakte op 5 januari 2022 het voornemen tot invordering bekend en besloot op 2 mei 2022 tot invordering van de dwangsom. Appellant maakte bezwaar en ging in beroep tegen het besluit, maar de rechtbank verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep betoogde appellant onder meer dat het college onterecht niet op zijn zienswijze was ingegaan, dat de telling van recreatiewoningen onjuist was, en dat bijzondere omstandigheden tot afzien van invordering leidden. De Afdeling oordeelde dat het college terecht is overgegaan tot invordering, dat de rechtbank terecht op de zienswijze is ingegaan in het besluit op bezwaar, en dat geen bijzondere omstandigheden waren die invordering in de weg stonden. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de invordering van de dwangsom van €25.000,- bevestigd.