ECLI:NL:RVS:2024:1141
Raad van State
- Hoger beroep
- C.H.M. van Altena
- J. Schipper-Spanninga
- N.H. van den Biggelaar
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Verklaring Omtrent het Gedrag ondanks technisch sepot zedendelict
Appellant vroeg drie keer een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) aan voor functies met minderjarigen, maar de minister weigerde deze vanwege justitiële gegevens over zedendelicten. Hoewel appellant onherroepelijk is vrijgesproken van meerdere ten laste gelegde feiten en een zaak met technisch sepot is afgedaan, betrok de minister het technisch sepot wel bij de beoordeling, afwijkend van de Beleidsregels.
De rechtbank oordeelde dat de minister de belangen van minderjarige kinderen niet als rechtstreeks belanghebbenden mocht aanmerken en vernietigde de besluiten wegens ondeugdelijke motivering, maar liet de rechtsgevolgen in stand. De rechtbank vond dat de minister in dit geval mocht afwijken van de Beleidsregels.
In hoger beroep stelde appellant dat de minister onterecht afweek van de Beleidsregels en dat het betrekken van het technisch sepot in strijd is met de onschuldpresumptie. De Afdeling oordeelde dat de minister terecht afweek op grond van artikel 4:84 Awb Pro omdat de belangen van werkgevers en sportclub als belanghebbenden gelden en het risico voor kwetsbare personen groot is.
De Afdeling verwierp het beroep op de onschuldpresumptie omdat het bestuursrechtelijke besluit een zelfstandige beoordeling betreft, los van strafvervolging. De afwijzing van de VOG-aanvragen is daarmee terecht en het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt de afwijzing van de VOG-aanvragen en oordeelt dat de minister terecht van de Beleidsregels mag afwijken ter bescherming van kwetsbare minderjarigen.