ECLI:NL:RVS:2024:1076
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- N. Verheij
- J. Schipper-Spanninga
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning wegens ernstige strafrechtelijke veroordelingen
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 11 december 2019 de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken vanwege meerdere gevangenisstraffen, waaronder voor opiumdelicten en wapenhandel. Tevens werd zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd afgewezen en een inreisverbod opgelegd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, omdat de staatssecretaris onvoldoende rekening had gehouden met de omstandigheden van het gepleegde delict in het kader van artikel 8 EVRM Pro.
In hoger beroep heeft de Raad van State het oordeel van de rechtbank bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard. Vervolgens heeft de Afdeling bestuursrechtspraak het beroep tegen het nieuwe besluit van 9 november 2022 behandeld, waarin de staatssecretaris het bezwaar opnieuw ongegrond verklaarde. De Afdeling oordeelt dat de staatssecretaris terecht heeft geoordeeld dat het belang van de openbare orde zwaarder weegt dan het belang van de vreemdeling bij zijn familie- en privéleven.
De Afdeling gaat in op de argumenten van de vreemdeling over de ernst van het delict, de toepassing van de glijdende schaal, de waarde van een deskundigenrapport en de individuele beoordeling van zijn situatie in Marokko. Deze verweren worden verworpen. De staatssecretaris heeft voldoende gemotiveerd dat de vreemdeling zich in Marokko kan handhaven en dat de intrekking en afwijzing in de juiste volgorde en conform de wet zijn genomen. Het beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de verblijfsvergunning en afwijzing van de aanvraag voor onbepaalde tijd worden bevestigd en het beroep ongegrond verklaard.