Uitspraak
Datum uitspraak: 15 maart 2023
BESTUURSRECHTSPRAAK
voorzitter
Raad van State
De zaak betreft een appellant met een verblijfsvergunning asiel die een boete van €500 kreeg opgelegd wegens het niet tijdig behalen van het inburgeringsexamen, en tevens de terugbetaling van een lening van €10.000 moet voldoen. De appellant betoogt dat de Nederlandse regeling in strijd is met artikel 34 van Pro de Kwalificatierichtlijn, omdat de hoge kosten en boetes de toegang tot integratieprogramma's belemmeren.
De rechtbank en minister wijzen op verlengingen van de inburgeringstermijn, vrijstellingen en een matiging van de boete, en achten het stelsel verenigbaar met het Unierecht. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter dat het uitgangspunt dat asielstatushouders zelf de volledige kosten moeten dragen strijdig is met artikel 34, omdat dit de toegang tot integratieprogramma's belemmert.
De Afdeling overweegt dat het opleggen van een integratieplicht en een boete op zich niet in strijd zijn met de richtlijn, mits de boete evenredig is. Wel is er twijfel over de terugbetalingsverplichting van de lening, die een hoge financiële last oplegt en daarmee het nuttig effect van artikel 34 kan Pro ondermijnen.
De Afdeling verzoekt het Hof van Justitie van de Europese Unie prejudiciële uitspraak over de uitleg van artikel 34 van Pro de Kwalificatierichtlijn in relatie tot de Nederlandse regeling omtrent inburgeringsplicht, boetes en terugbetalingsverplichting van leningen. De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst totdat het Hof uitspraak doet.
Uitkomst: De behandeling van het hoger beroep wordt geschorst in afwachting van prejudiciële uitspraak over de uitleg van artikel 34 van de Kwalificatierichtlijn.