ECLI:NL:RVS:2023:921
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende urgent huisvestingsprobleem en schuldenproblematiek
Appellant woonde met zijn twee minderjarige dochters in een te kleine eenkamerwoning en vroeg een urgentieverklaring aan vanwege stress en psychische klachten veroorzaakt door deze situatie. Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam wees de aanvraag af omdat appellant niet had aangetoond dat zijn dochters hun hoofdverblijfplaats bij hem hadden en hij zelf had gekozen hen naar Amsterdam te halen zonder voldoende woonruimte. Tevens had appellant schulden die niet voldoende waren geregeld.
De voorzieningenrechter bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat de situatie van appellant niet zo schrijnend was dat het college verplicht was een urgentieverklaring te verstrekken. De Raad van State overwoog dat een te kleine woning op zichzelf geen urgent huisvestingsprobleem vormt en dat de schuldenproblematiek op het moment van besluitvorming onvoldoende was opgelost. De medische klachten konden niet worden meegewogen omdat het college niet aan de beoordeling toe kwam door de aanwezigheid van meerdere weigeringsgronden.
Appellant voerde aan dat het besluit niet voldeed aan het evenredigheidsbeginsel en dat ook internationale verdragen betrokken moesten worden, maar de Raad van State oordeelde dat het college de belangen van appellant en zijn dochters had meegewogen en dat de afwijzing in de context van de woningmarkt niet onevenredig was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.