ECLI:NL:RVS:2023:920
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vaststelling instellingscollegegeld Universiteit Utrecht ondanks bijzondere omstandigheden
Appellant behaalde in augustus 2021 zijn bachelordiploma Diergeneeskunde en werd in april 2022 toegelaten tot de bachelor Geneeskunde aan de Universiteit Utrecht. Het college van bestuur stelde het instellingscollegegeld van €20.200,- vast voor het studiejaar 2022-2023 en wees het verzoek van appellant om toepassing van de hardheidsclausule af.
Appellant voerde aan dat hij gedwongen was zijn bachelordiploma Diergeneeskunde vroegtijdig te behalen vanwege een wijziging in het masterprogramma en lange wachttijden, waardoor hij het risico liep op aanzienlijke studievertraging. Hierdoor moest hij het hoge instellingscollegegeld betalen, wat onbillijk was.
De Afdeling oordeelde dat appellant een bijzonder geval van onbillijkheid van overwegende aard ondervond door de verergerde doorstroomproblematiek binnen de opleiding Diergeneeskunde, waarop hij geen invloed had. Daarom had het college de hardheidsclausule moeten toepassen en het wettelijk collegegeld moeten vaststellen.
Het beroep van appellant werd gegrond verklaard, het besluit van 2 september 2022 vernietigd, het bezwaar tegen het besluit van 10 juni 2022 gegrond verklaard en het college werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het college van bestuur van de Universiteit Utrecht moet het wettelijk collegegeld van €2.209,- in rekening brengen en het beroep van appellant is gegrond verklaard.