ECLI:NL:RVS:2023:839
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek betaling wettelijk collegegeld op grond van Verdrag Nederland-VS
Een Amerikaanse student, woonachtig in Nederland en ingeschreven aan de Universiteit Leiden, verzocht om betaling van het wettelijk collegegeld in plaats van het hogere instellingscollegegeld voor het studiejaar 2022-2023. Het college van bestuur wees dit verzoek af op grond van artikel 7.45a van de WHW, dat betaling van wettelijk collegegeld beperkt tot personen met de nationaliteit van de EER, Zwitserland of Suriname.
De student beriep zich op het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen Nederland en de Verenigde Staten (1956), met name artikel XI, eerste lid, dat gelijke behandeling van onderdanen beoogt. De Afdeling oordeelde dat het Verdrag onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om als objectief recht te gelden, maar dat het collegegeld niet kan worden aangemerkt als een heffing in de zin van dit artikel, omdat het volgen van onderwijs geen werkzaamheid is waarop het artikel betrekking heeft.
De Afdeling verwierp het standpunt van het college dat het Verdrag alleen geldt voor Amerikaanse burgers die zich vestigen met het doel zelfstandig ondernemer te zijn en volgde het CBHO in eerdere jurisprudentie dat het Verdrag niet ziet op het volgen van onderwijs. Ook het argument dat het instellingscollegegeld de uitoefening van verdragsrechten onmogelijk maakt, faalde.
De Afdeling concludeerde dat het Verdrag geen recht op betaling van wettelijk collegegeld verleent aan de appellant en dat het college het verzoek terecht heeft afgewezen. Het beroep werd ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het beroep van de Amerikaanse student wordt ongegrond verklaard en het instellingscollegegeld blijft verschuldigd.