ECLI:NL:RVS:2023:629
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag rechtmatig verblijf gemeenschapsonderdaan wegens vermoeden schijnrelatie
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 21 mei 2021 de aanvraag van de vreemdeling om afgifte van een verblijfsdocument als gemeenschapsonderdaan af vanwege een vermoeden van schijnrelatie. De vreemdeling maakte bezwaar, dat op 7 oktober 2021 ongegrond werd verklaard. De rechtbank bevestigde deze afwijzing bij uitspraak van 27 september 2022.
De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Hij voerde aan dat de indicatoren die tot het vermoeden van een schijnrelatie leidden niet juist waren toegepast en stelde voor prejudiciële vragen te stellen over de wettelijke criteria voor het gebruik van deze indicatoren. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris binnen zijn beoordelingsruimte handelde en voldoende gemotiveerd heeft waarom het vermoeden van schijnrelatie in dit concrete geval bestaat.
De Raad van State zag geen aanleiding voor prejudiciële vragen, omdat beantwoording daarvan niet nodig was voor de oplossing van deze zaak. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag bevestigd.