ECLI:NL:RVS:2023:526
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- A. Kuijer
- M. Soffers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel en inreisverbod wegens onvoldoende aannemelijkheid risico schending artikel 3 EVRM
De vreemdeling, afkomstig uit Eritrea, had een asielaanvraag ingediend met de stelling dat hij de militaire dienstplicht ontvlucht was. Aanvankelijk gaf hij aan minderjarig te zijn, maar na confrontatie met identiteitsgegevens gaf hij toe meerderjarig te zijn en verklaarde dat hij tijdens de dienstplicht had gedeserteerd.
De staatssecretaris wees de aanvraag af en legde een inreisverbod op. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State. De kernvraag was of de vreemdeling aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer de militaire dienstplicht in Eritrea moet vervullen en daardoor een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij niet al de militaire dienstplicht had vervuld, mede gelet op zijn eigen verklaringen over militaire opleidingen en werkzaamheden. Ook vond de Raad het ongerijmd dat hij na zijn gestelde desertie in het openbare leven van Mendefera verbleef, wat niet strookt met het risico dat deserteurs lopen.
De Raad bevestigde daarom het oordeel van de rechtbank dat de vreemdeling geen reëel risico loopt op een schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvraag en het inreisverbod bevestigd.