ECLI:NL:RVS:2023:4863
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- C.M. Wissels
- B. Meijer
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep staatssecretaris in Dublinprocedure over asielverzoeken
Deze zaak betreft de vraag welk land verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielverzoeken van twee vreemdelingen en hun minderjarige kinderen. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde dat lidstaat X verantwoordelijk was op grond van de Dublinverordening, omdat de vreemdelingen diplomatieke kaarten van lidstaat X hadden die als verblijfstitels gelden. De vreemdelingen betwistten dit en verwezen naar het Verdrag van Wenen inzake diplomatiek verkeer.
De Afdeling bestuursrechtspraak had het Hof van Justitie gevraagd om een prejudiciële beslissing over de uitleg van de Dublinverordening. Het Hof oordeelde dat diplomatieke kaarten inderdaad als verblijfstitels gelden volgens artikel 2 van Pro de Dublinverordening. De staatssecretaris meende dat dit zijn standpunt bevestigde, maar de vreemdelingen verwezen naar een ander arrest van het Hof waarin werd gesteld dat de overdrachtstermijn was verstreken, waardoor Nederland verantwoordelijk bleef.
De Afdeling oordeelde dat de voorlopige voorzieningen in beroep niet tot opschorting van de overdrachtstermijn hadden geleid. Omdat de overdrachtstermijn was verstreken, was Nederland verantwoordelijk voor de asielprocedure. Daarom was het hoger beroep van de staatssecretaris niet-ontvankelijk. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is niet-ontvankelijk verklaard omdat Nederland verantwoordelijk is voor de asielprocedure.