Uitspraak
Datum uitspraak: 27 december 2023
AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK
appellanten,
lid van de enkelvoudige kamer
griffier
Raad van State
Het college van burgemeester en wethouders van Winterswijk verleende op 4 augustus 2020 een omgevingsvergunning aan een bedrijf voor het bouwen van een woning op een perceel waar eerder bedrijfsgebouwen stonden. Het perceel was gesplitst, waarbij de appellant hinder ondervond van het gebruik van de woning op het aangrenzende perceel. De rechtbank vernietigde het besluit van 4 augustus 2020 en beval het college een nieuw besluit te nemen. Het college verleende vervolgens op 4 april 2023 en 8 juni 2023 opnieuw omgevingsvergunningen.
De appellant voerde meerdere beroepsgronden aan, waaronder strijd met het bestemmingsplan, onvoldoende kennisverzameling bij de voorbereiding, strijd met de omgevingsvisie, provinciale verordening en woonvisie, onjuiste toepassing van welstandscriteria, en onduidelijkheid over de inhoudsberekening van de woning. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het college bij het besluit van 4 april 2023 niet voldeed aan de vereisten van artikel 3:46 Awb Pro, waardoor dit besluit vernietigd werd. Het beroep tegen het besluit van 8 juni 2023 werd ongegrond verklaard.
De Afdeling benadrukte dat het college beleidsruimte heeft bij het afwijken van het bestemmingsplan, mits een zorgvuldige belangenafweging plaatsvindt en het besluit niet in strijd is met het recht. De Afdeling vond geen grond om de eerdere afwegingen van het college en rechtbank te verwerpen, onder meer ten aanzien van de passende behoefte, de omgevingsvisie, welstandscriteria en waterhuishouding. De proceskosten werden aan het college opgelegd.
Uitkomst: Het besluit van 4 april 2023 tot verlening van de omgevingsvergunning wordt vernietigd, het beroep tegen het besluit van 8 juni 2023 wordt ongegrond verklaard.