ECLI:NL:RVS:2023:4824

Raad van State

Datum uitspraak
28 december 2023
Publicatiedatum
27 december 2023
Zaaknummer
202307437/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbRichtlijn 2001/55/EGUitvoeringsbesluit (EU) 2022/382
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tijdelijke bescherming vreemdeling op grond van EU-richtlijn

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 30 augustus 2023 bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming, gebaseerd op Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382, voor de vreemdeling eindigt. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 7 november 2023 ongegrond verklaarde. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State en verzocht om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat een nader onderzoek naar de gronden van het hoger beroep noodzakelijk is en besloot daarom een voorlopige voorziening te treffen. Dit houdt in dat de vreemdeling voorlopig wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming nog steeds van toepassing is.

Daarnaast veroordeelde de voorzieningenrechter de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten die de vreemdeling heeft gemaakt, ter hoogte van € 837,00, welke geheel toe te rekenen zijn aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. De uitspraak werd op 28 december 2023 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De vreemdeling wordt voorlopig behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming blijft gelden en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202307437/2/V2.
Datum uitspraak: 28 december 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 7 november 2023 in zaak nr. NL23.30509 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluit van 30 augustus 2023 heeft de staatssecretaris bepaald dat het recht op bescherming eindigt dat de vreemdeling geniet op grond van Richtlijn 2001/55/EG (hierna: de Richtlijn Tijdelijke Bescherming) en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 van 4 maart 2022 (hierna: het Uitvoeringsbesluit).
Bij uitspraak van 7 november 2023 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De vreemdeling heeft de voorzieningenrechter verzocht de voorlopige voorziening te treffen dat hij zal worden behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit, op hem van toepassing blijft.
2.       Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is een nader onderzoek nodig naar wat de vreemdeling in hoger beroep heeft aangevoerd. Daarom treft hij een voorlopige voorziening.
3.       De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de vreemdeling wordt behandeld alsof het recht op tijdelijke bescherming bedoeld in de Richtlijn Tijdelijke Bescherming en het daarop gebaseerde Uitvoeringsbesluit, op hem van toepassing is;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.E. van Laar LLM, griffier.
w.g. Soffers
voorzieningenrechter
w.g. Van Laar
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 28 december 2023
987