ECLI:NL:RVS:2023:4536
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem
Appellante heeft op 21 juli 2021 een aanvraag ingediend voor een urgentieverklaring omdat haar huidige woning te klein en ongeschikt zou zijn voor haar gezin. Het college wees deze aanvraag af op grond van de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020, omdat er geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem en omdat aan appellante in de voorgaande twee jaar al een urgentieverklaring was verleend, die inmiddels was verlopen.
Appellante voerde aan dat de weigeringsgrond niet meer op haar van toepassing zou zijn omdat haar eerdere urgentieverklaring niet was ingetrokken of vervallen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde echter dat de eerdere urgentieverklaring een looptijd van 26 weken had en na die periode was vervallen, zodat het college de aanvraag terecht heeft geweigerd.
Verder stelde appellante dat het college haar aanvraag op medische gronden had moeten toetsen, maar omdat de algemene weigeringsgrond van toepassing was, kwam de Afdeling niet toe aan een inhoudelijke beoordeling daarvan. Ook het beroep op de hardheidsclausule werd afgewezen, omdat het college een gemotiveerde en niet onredelijke beoordeling had gegeven.
De Afdeling bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaart het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De afwijzing van de aanvraag voor een urgentieverklaring wordt bevestigd omdat geen sprake is van een urgent huisvestingsprobleem en de eerdere urgentieverklaring was verlopen.