ECLI:NL:RVS:2023:4285
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem en mantelzorgcriteria
De zaak betreft het hoger beroep van een vrouw die een urgentieverklaring voor huisvesting in Amsterdam had aangevraagd, welke door het college van burgemeester en wethouders was afgewezen. De aanvraag werd gedaan vanwege het dreigend verlies van noodopvang, mantelzorgverplichtingen voor haar dochter en haar psychische problematiek. Het college handhaafde de afwijzing op grond van het ontbreken van een urgent huisvestingsprobleem en het niet voldoen aan de eis van regiobinding.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling overwoog dat de vrouw niet voldeed aan de voorwaarden voor urgentie vanwege mantelzorg zoals gesteld in de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 en de Nadere regels. Ook werd geoordeeld dat het college voldoende onderzoek had gedaan en dat het beginsel van equality of arms niet was geschonden.
Verder oordeelde de Afdeling dat het belang van het minderjarige kind voldoende was meegewogen en dat het college zich rekenschap had gegeven van de situatie. De hardheidsclausule werd niet toegepast omdat de situatie niet als schrijnend werd aangemerkt. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.