ECLI:NL:RVS:2023:4143
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem
Appellant heeft na zijn scheiding geen zelfstandige woonruimte kunnen vinden en woont momenteel in een caravan. Hij verzoekt om een urgentieverklaring omdat hij zijn kinderen niet kan ontvangen en psychische klachten ervaart. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag heeft de aanvraag afgewezen op basis van meerdere algemene weigeringsgronden uit de Huisvestingsverordening Den Haag 2019, waaronder het ontbreken van een inschrijving van ten minste twee jaar in de regio Haaglanden.
De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond verklaard. Appellant stelde dat het besluit in strijd is met artikel 8 EVRM Pro en dat de hardheidsclausule uit artikel 7:3 van Pro de Huisvestingsverordening had moeten worden toegepast. De Raad van State oordeelt dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die de eerdere gemotiveerde beoordeling onjuist maken.
Hoewel de psychische gevolgen voor appellant worden erkend, is dit volgens de Raad geen reden voor toepassing van de hardheidsclausule. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd.