ECLI:NL:RVS:2023:4136

Raad van State

Datum uitspraak
8 november 2023
Publicatiedatum
8 november 2023
Zaaknummer
202206333/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 AwbArt. 2.5.1 Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2019
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing urgentieverklaring woonkostentoeslag in Stichtse Vecht

Appellante huurt een zelfstandige woonruimte in de vrije sector te Maarssen en ontving een woonkostentoeslag vanwege het niet kunnen opbrengen van de maandhuur. Omdat aan de woonkostentoeslag een verhuisplicht is verbonden, deed zij een aanvraag voor een urgentieverklaring die door het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht werd afgewezen op grond van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2019.

Het college stelde dat bij het aangaan van de huurovereenkomst voor appellante duidelijk moest zijn dat de huurprijs niet in verhouding stond tot haar inkomen en dat zij zonder hulp de huur niet kon betalen. Hierdoor was niet voldaan aan de voorwaarde dat de noodsituatie buiten haar schuld en onvoorzien was ontstaan. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak in hoger beroep.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat appellante haar stellingen niet voldoende heeft onderbouwd en dat er geen aanleiding is voor toepassing van de hardheidsclausule. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: De afwijzing van de urgentieverklaring wordt bevestigd en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

202206333/1/A2.
Datum uitspraak: 8 november 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te Maarssen, gemeente Stichtse Vecht,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 9 september 2022 in zaak nr. 22/1325 in het geding tussen:
[appellante]
en
het college van burgemeester en wethouders van Stichtse Vecht (hierna: het college).
Procesverloop
Bij besluit van 10 augustus 2021 heeft het college de aanvraag van [appellante] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 11 januari 2022 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 september 2022 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.       [appellante] huurt met haar minderjarige dochter een zelfstandige woonruimte uit de vrije sector in Maarssen. Omdat zij de maandhuur niet meer kon opbrengen heeft het college haar aanvraag om woonkostentoeslag ingewilligd. [appellante] heeft een aanvraag om urgentie gedaan omdat aan de woonkostentoeslag een verhuisplicht is verbonden.
2.       Het college heeft bij het besluit van 11 januari 2022 de afwijzing van de aanvraag om een urgentieverklaring gehandhaafd op grond van artikel 2.5.1, tweede lid, aanhef en onder d, van de Huisvestingsverordening Regio Utrecht 2019, gemeente Stichtse Vecht. Volgens het college moet het bij het aangaan van de huurovereenkomst voor [appellante] duidelijk zijn geweest dat de huurprijs van de woning niet in verhouding stond met de hoogte van haar inkomen destijds en dat zij zonder financiële hulp van derden de maandhuur niet zelf zou kunnen opbrengen. Daardoor is niet voldaan aan de voorwaarde dat de noodsituatie van [appellante] is ontstaan buiten eigen schuld en niet door haar was te voorzien. Het college heeft geen aanleiding gezien voor toepassing van de hardheidsclausule omdat in de situatie van [appellante] geen sprake is van een zeer incidenteel noodgeval.
3.       De gronden die [appellante] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat zij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellante] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 9-11 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daar in navolging van de rechtbank nog aan toe dat [appellante] ook in hoger beroep haar stellingen niet nader heeft onderbouwd.
De gronden slagen niet.
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. E.J. Daalder, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Daalder
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 8 november 2023
154-1081