ECLI:NL:RVS:2023:4130
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende zelfstandige woonruimte en voorspelbare huisvestingsproblemen
Appellant heeft een urgentieverklaring aangevraagd omdat zij met haar toenmalige vriend en dochtertje in een kleine kamer woonde en zwanger was van een tweeling. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag wees deze aanvraag af, omdat appellant geen zelfstandige woonruimte had, maar het huisvestingsprobleem als te voorzien werd beschouwd gezien de gezinsuitbreiding.
Tijdens de bezwaarprocedure werd de tweeling geboren en beëindigde appellant haar relatie. Het college handhaafde het besluit op basis van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 en de beleidsregel urgentieverklaringen, waarbij ook geen aanleiding werd gezien voor toepassing van de hardheidsclausule.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt dat appellant geen nieuwe gronden heeft aangevoerd die het eerdere oordeel onjuist maken en benadrukt dat de omstandigheden bewust zijn uitgesloten van urgentieverklaringen volgens de verordening.
Daarnaast is meegewogen dat appellant alleen reageert op eengezinswoningen in Den Haag, waardoor haar kansen op een woning beperkt zijn. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring wegens het ontbreken van zelfstandige woonruimte en voorspelbare huisvestingsproblemen.