Uitspraak
Datum uitspraak: 18 oktober 2023
BESTUURSRECHTSPRAAK
2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
appellanten,
26 juni 2020, heeft de Belastingdienst/Toeslagen een bedrag van € 390,00 onderscheidenlijk € 1.573,00 aan kindgebonden budget over het jaar 2017 onderscheidenlijk over het jaar 2018 van [appellant sub 2] teruggevorderd. Daaraan is ten grondslag gelegd dat uit informatie van de Sociale Verzekeringsbank (SVB) is gebleken dat [appellant sub 2] voor die jaren recht heeft op gezinsbijslag uit Duitsland. Dit recht prevaleert boven het recht van [appellant sub 2] op gezinsbijslag uit Nederland. Het recht op gezinsbijslag is in Nederland evenwel hoger dan in Duitsland, omdat de gezinsbijslag in Nederland uit (onder meer) kinderbijslag en kindgebonden budget bestaat. Het is hier de SVB en niet de Belastingdienst/Toeslagen die het recht van [appellant sub 2] op gezinsbijslag uit Duitsland aanvult tot de hoogte van haar recht op gezinsbijslag in Nederland. Het door de dienst onverschuldigd aan [appellant sub 2] uitbetaalde kindgebonden budget over de jaren 2017 en 2018 is daarom van haar teruggevorderd, aldus de Belastingdienst/Toeslagen.
De vaststelling door de SVB van de Nederlandse bijbetaling in de situatie van [appellant sub 2] is onherroepelijk geworden. De rechtbank gaat (daarom) uit van de in de tabellen genoemde bedragen, waarvan de onjuistheid ook niet is gebleken. De rechtbank stelt aan de hand van de tabellen vast dat [appellant sub 2] recht heeft op een Nederlands aanvullend bedrag van € 364,44 voor 2017 en € 397,18 voor 2018.
voorzitter