ECLI:NL:RVS:2023:369
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 4 juni 2019 een aanvraag van vreemdelingen om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Na een bezwaarprocedure werd dit besluit op 23 februari 2021 gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdelingen op 20 december 2022 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moet nemen.
De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening, waarmee uitvoering van de uitspraak van de rechtbank zou worden opgeschort totdat het hoger beroep is beslist. De vreemdelingen leverden een schriftelijke reactie.
De voorzieningenrechter oordeelde dat uitvoering van de uitspraak van de rechtbank geen onomkeerbare gevolgen heeft en geen onevenredige inspanning vergt van de staatssecretaris. Daarom werd het verzoek afgewezen en werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.