ECLI:NL:RVS:2023:3634
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- A. Kuijer
- J.C.A. de Poorter
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 24 september 2020 een aanvraag af voor een machtiging tot voorlopig verblijf voor drie Eritrese vreemdelingen, een moeder en haar twee dochters, die verblijf zochten bij een referent die de zoon respectievelijk broer zou zijn. De staatssecretaris stelde dat de identiteit van de vreemdelingen en de familierechtelijke relatie met de referent niet waren vastgesteld, en daarom werd de aanvraag afgewezen zonder inhoudelijke toetsing van artikel 8 EVRM Pro.
De rechtbank oordeelde echter dat de staatssecretaris onvoldoende onderzoek had gedaan naar de identiteit en familiebanden en dat de beoordeling op grond van artikel 8 EVRM Pro onvolledig was. De rechtbank vernietigde het besluit en bepaalde dat de staatssecretaris een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de uitspraak.
De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de inhoudelijke toetsing van artikel 8 EVRM Pro niet had uitgevoerd, terwijl de staatssecretaris in het bezwaarbesluit uitging van de veronderstelling dat identiteit en familiebanden wel vaststonden. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verwees de zaak terug voor herbehandeling met inachtneming van haar oordeel.
De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 28 september 2023 in het openbaar uitgesproken door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor herbehandeling met inachtneming van de beoordeling op grond van artikel 8 EVRM.