202203326/1/R1.
Datum uitspraak: 6 september 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
[appellant], wonend te Schagen,
tegen de uitspraak van de rechtbank NoordHolland van 4 mei 2022 in zaak nr. 21/1132 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Schagen.
Procesverloop
Bij besluit van 20 september 2019 heeft het college aan [partij A] een omgevingsvergunning verleend voor strijdig gebruik en voor het bouwen van een opslagruimte met kantoor op de verdieping op het perceel [locatie A] in Schagen.
Bij uitspraak van 18 november 2020 heeft de rechtbank het beroep van [appellant] gegrond verklaard, het besluit van 20 september 2019 vernietigd en het college opgedragen binnen zes weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming van de uitspraak.
Bij besluit van 18 januari 2021 heeft het college opnieuw besloten de omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een opslagruimte met kantoor op de verdieping.
Bij uitspraak van 4 mei 2022 (hierna: de uitspraak van de rechtbank) heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit van 18 januari 2021 vernietigd voor zover daarin is afgeweken van de voorwaarde van artikel 3.7 van de Parkeernota Schagen 2016 en bepaald dat de uitspraak in de plaats komt van het vernietigde deel van het besluit van 18 januari 2021. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college en [partij A] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 21 juni 2023, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.M.M. Eyking, rechtsbijstandsverlener te Schagerbrug, en het college, vertegenwoordigd door mr. M.J.P. Kamp, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen. Voorts zijn ter zitting [partij A] en [partij B] als partij gehoord.
Overwegingen
Inleiding
1. Het perceel ligt aan het einde van een doodlopend erf, aan de achterkant van een woon/winkelcomplex en naast een toegang voor een kelderverdieping. Het perceel is een aantal jaar afgesloten met een hek en wordt niet gebruikt. Op het perceel wil [partij A] een nieuw gebouw bouwen, waarin hij op de begane grond oldtimers stalt, met op de verdieping een kantoorruimte. Op een aangrenzend perceel wil [partij A] twee parkeerplaatsen aanleggen.
[appellant] woont op het adres [locatie B] in Schagen, aan het begin van het doodlopende erf waar [partij A] zijn opslagruimte wil bouwen. Hij heeft daar ook zijn advocatenkantoor. Hij is het niet eens met de uitspraak van de rechtbank, omdat hij bang is voor parkeerproblemen rondom zijn perceel.
De uitspraken van de rechtbank
2. In deze procedure heeft de rechtbank twee keer uitspraak gedaan. In de eerste uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het college in het besluit van 20 september 2019 ten onrechte niet heeft onderbouwd waarom van de Parkeernota Schagen 2016 (hierna: de parkeernota) kon worden afgeweken. Volgens het college mocht [partij A] namelijk het aangrenzende perceel gebruiken voor het parkeren maar dat is in strijd met de parkeernota, overwoog de rechtbank. Verder oordeelde de rechtbank dat het college ten onrechte geen parkeeronderzoek had gedaan om de verwachte parkeerdruk te berekenen. De rechtbank heeft daarom het besluit van 20 september 2019 vernietigd.
Met het besluit van 18 januari 2021 heeft het college geprobeerd te onderbouwen waarom op bovenstaande wijze van de parkeernota kon worden afgeweken. Verder heeft het college een parkeeronderzoek gedaan.
In de tweede uitspraak van de rechtbank oordeelde de rechtbank dat de motivering voor de afwijking van de parkeernota ook in het nieuwe besluit niet deugdelijk is. In beroep heeft [partij A] echter een koopovereenkomst ingebracht, waaruit blijkt dat hij het aangrenzende perceel heeft gekocht zodat hij daarop parkeerplaatsen kan aanleggen. De rechtbank overwoog dat er daardoor alsnog aan de voorwaarde uit de parkeernota wordt voldaan, waardoor afwijken van de parkeernota niet meer nodig is. Verder kon het college volstaan met het gedane parkeeronderzoek. In feite komt het erop neer dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het besluit voor zover dat is vernietigd in stand laat. De Afdeling oordeelt in deze zaak over deze tweede uitspraak van de rechtbank.
Gronden van het hoger beroep van [appellant]
Parkeernota
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat alsnog wordt voldaan aan artikel 3.7 van de parkeernota. De koopovereenkomst van 3 maart 2022 waarbij [partij A] het aangrenzende perceel heeft gekocht, is namelijk onvoldoende. Er heeft namelijk nog geen levering plaatsgevonden. Ook is er geen sprake van een notariële koopovereenkomst zoals de rechtbank overweegt. In de koopovereenkomst staat namelijk alleen dat de levering zal worden gepasseerd door notaris Verhoeks, niet dat deze betrokken was bij de koopovereenkomst.
3.1. Artikel 3.7 van de parkeernota luidt:
"Harde randvoorwaarde is dat het parkeren binnen de grenzen van het eigen terrein opgelost moet worden. De parkeerbehoefte kan niet worden opgelost op een buurkavel omdat hiermee geen garantie kan worden gegeven dat deze parkeerplaatsen ook in de toekomst beschikbaar blijven."
3.2. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat met de ingebrachte koopovereenkomst alsnog aan de parkeernota wordt voldaan. In wat [appellant] aanvoert, ziet de Afdeling geen aanleiding om te twijfelen aan de stelling van [partij A] dat levering zal plaatsvinden nadat de vergunning in rechte vaststaat. Daar doet niet aan af dat er bij het vaststellen van de koopovereenkomst nog geen notaris betrokken was.
Waar [appellant] zich met zijn betoog beroept op het vertrouwensbeginsel en zich op het standpunt stelt op de parkeernota te mogen vertrouwen, wijst de Afdeling erop dat inmiddels op dit punt niet meer van de parkeernota wordt afgeweken, zodat dit betoog van [appellant] niet hoeft te worden besproken.
Het betoog slaagt niet.
Parkeeronderzoek onvoldoende?
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het college kon volstaan met de gedane parkeeronderzoeken. De metingen zijn verricht in de tijd waarin coronamaatregelen golden en op tijdstippen en dagen dat de winkels in de omgeving dicht waren of het erg rustig was. Daarom is het onderzoek niet representatief en kon het college het niet ten grondslag leggen aan het besluit, aldus [appellant].
Ter onderbouwing van de huidige parkeerproblematiek wijst hij naar het besluit van het college van begin 2022 om op het adres [locatie C] één parkeerplaats te reserveren voor elektrische auto’s, terwijl de laadpaal bij het adres [locatie C] twee auto’s tegelijkertijd kan opladen en er dus twee parkeerplaatsen gereserveerd zouden kunnen worden. Het college heeft dat besluit in een brief van 11 maart 2022 gemotiveerd door te wijzen naar de parkeerdruk. Volgens [appellant] erkent het college daarmee dat er ter plaatse sprake is van te hoge parkeerdruk.
4.1. In het (interne) parkeeronderzoek van 30 december 2020 van het college is onderzocht of aan de parkeernota kon worden voldaan met de gewenste ontwikkeling op het perceel. Er zijn op verschillende dagen parkeertellingen gedaan maar vanwege de coronamaatregelen die per 15 december 2020 van kracht werden, heeft het college alleen de tellingen van donderdag 10 december 2020 om 12.30 uur en van maandag 14 december 2020 om 09.30 uur als representatief aangemerkt. Ter aanvulling heeft het college nog gekeken naar lucht- en streetviewfoto’s uit 2018 tot en met 2020. De conclusie van dit onderzoek is dat er binnen de gehanteerde maximale loopafstanden voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zijn.
4.2. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college de parkeerdruk ter plaatse voldoende heeft onderzocht. Het college heeft rekening gehouden met de coronamaatregelen en daarom verschillende metingen buiten beschouwing gelaten. Het is niet aannemelijk dat de winkels in de omgeving van het perceel gesloten waren tijdens beide meetmomenten op 10 en 14 december 2020. Daarbij komt dat de meting van 10 december 2020 plaatsvond op een donderdag om 12.30 uur. Op donderdagen zijn, vanwege de weekmarkt, bepaalde parkeerplaatsen in het centrum niet te gebruiken. [appellant] kan daarom niet gevolgd worden in zijn betoog dat er alleen op rustige momenten is gemeten. Bovendien heeft het college ter aanvulling naar luchtfoto’s van voor de coronamaatregelen gekeken waaruit volgt dat er toen ook geen parkeerplaatsentekort was.
Op de zitting heeft [appellant] naar voren gebracht dat het onderzochte gebied in het parkeeronderzoek van 30 december 2020 te groot is. Het college heeft zich in het parkeeronderzoek gebaseerd op de maximale acceptabele loopafstanden van artikel 3.11 van de parkeernota. [appellant] heeft onvoldoende ingebracht tegen deze onderbouwing van de omvang van het onderzoeksgebied voor twijfel daaraan.
Op de zitting heeft [appellant] verder ook naar voren gebracht dat er bij winkelcentrum Makado minder parkeerplaatsen beschikbaar zijn dan de aantallen die zijn genoemd in het parkeeronderzoek van 30 december 2020. De Afdeling overweegt dat [appellant] deze stelling onvoldoende heeft onderbouwd om te twijfelen aan het parkeeronderzoek.
Wat [appellant] heeft aangevoerd over het besluit over het plaatsen van een laadpaal betekent ook niet dat er aan de conclusie van het parkeeronderzoek van 30 december 2020 dat er voldoende parkeerplaatsen zijn, moet worden getwijfeld. Bij dat besluit is weliswaar verwezen naar parkeerdruk, maar het college heeft toegelicht dat het niet ging om de parkeerdruk maar om het behoud van draagkracht voor het aanleggen van parkeerplaatsen voor elektrische auto’s. Voor maar één parkeerplaats voor elektrische auto’s is immers meer draagkracht te vinden, zo stelt het college. De Afdeling ziet geen aanleiding om aan deze uitleg te twijfelen.
Het betoog slaagt niet.
Bouwvergunning uit 1991
5. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat wat hij in beroep over een bouwvergunning van 6 augustus 1991 heeft aangevoerd geen bespreking behoeft. Die vergunning maakte de bouw van woningen, winkels en garages vlak bij het perceel mogelijk. Uit de vergunning volgt dat er negen parkeerplaatsen werden aangelegd, waarvan een deel op het perceel.
De bouwvergunning had voor het college het uitgangspunt moeten zijn bij het beoordelen van de vergunningaanvraag. Volgens [appellant] moet hij immers kunnen vertrouwen op een door de overheid verleende vergunning. Verder voert [appellant] aan dat het college de bouwvergunning uit 1991 bij de belangenafweging had moeten betrekken, omdat er toen al parkeerproblemen waren en dat nog steeds het geval is.
[partij A] heeft met de door hem in beroep ingebrachte tekening volgens [appellant] ook bevestigd dat deze negen parkeerplaatsen noodzakelijk zijn, bovenop de extra parkeerplaatsen die voor zijn bouwplan nodig zijn. Dat [partij A] naar een privaatrechtelijke splitsingsakte heeft gewezen kan niet aan de bouwvergunning afdoen, omdat met een privaatrechtelijke overeenkomst niet van een bestuursrechtelijke bouwvergunning kan worden afgeweken, aldus [appellant].
5.1. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit hij/zij in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zou uitoefenen en zo ja hoe.
5.2. De Afdeling begrijpt dat de inhoud van de bouwvergunning van 1991 van groot belang is voor [appellant]. Dat wil niet zeggen dat er ook sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen. Naar het oordeel van de Afdeling mocht [appellant] er op basis van de vergunning alleen op vertrouwen dat er negen parkeerplaatsen zouden worden aangelegd. [appellant] mocht er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat dit aantal parkeerplaatsen ongewijzigd zou blijven.
Op de zitting heeft [appellant] naar de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1694 (Amsterdamse Dakopbouw) verwezen, maar die zaak is niet vergelijkbaar met deze zaak. Daar speelde namelijk niet de vraag of een omwonende op basis van een vergunning erop mag vertrouwen dat de in die vergunning mogelijk gemaakte situatie nooit zou veranderen. Op de zitting heeft [appellant] verder verwezen naar de uitspraak van 26 januari 2022 van de rechtbank Noord-Holland, ECLI:NL:RBNHO:2022:368. Die zaak is ook niet vergelijkbaar met deze zaak, alleen al omdat daar sprake was van een toezegging van de gemeente dat bewoners van een woonwagencentrum mogen bepalen aan wie vrijgekomen woonwagenstandplaatsen worden toegewezen. Van een vergelijkbare toezegging over inspraak is in deze zaak geen sprake. Verder is van belang dat zoals hiervoor is besproken niet is gebleken van parkeerproblemen in de omgeving. Daarvoor wijst de Afdeling naar het parkeeronderzoek van 30 december 2020. Het college hoefde in zijn belangenafweging daarom niet de bouwvergunning uit 1991 te betrekken. Het betoog van [appellant] over de privaatrechtelijke splitsingsakte hoeft daarmee ook niet meer te worden besproken.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
6. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank moet worden bevestigd, voor zover aangevallen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.L. van Driel Kluit, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Driel Kluit
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 6 september 2023
703-1008