ECLI:NL:RVS:2023:327

Raad van State

Datum uitspraak
26 januari 2023
Publicatiedatum
26 januari 2023
Zaaknummer
202106003/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29, eerste lid, aanhef en onder b, Vw 2000Art. 91, tweede lid, Vw 2000Art. 8:54, eerste lid, Awb
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning en inreisverbod Tadzjikistan

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 30 juni 2021 een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af en legde een inreisverbod op. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die het besluit vernietigde vanwege onvoldoende gemotiveerde risico-inschatting bij terugkeer naar Tadzjikistan.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in bij de Raad van State, die het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond verklaarde. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling met overgelegde documenten aannemelijk had gemaakt dat hij in de belangstelling stond van de Tadzjiekse autoriteiten, terwijl het relaas van de vreemdeling zelf ongeloofwaardig werd geacht.

De Raad stelde vast dat de rechtbank de authenticiteit en samenhang van de documenten onvoldoende had beoordeeld en dat de vreemdeling niet aannemelijk had gemaakt dat hij anderszins gevaar loopt bij terugkeer. Het hoger beroep van de staatssecretaris werd gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep alsnog ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.

Uitspraak

202106003/1/V3.
Datum uitspraak: 26 januari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1. de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
2. [ de vreemdeling],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 17 augustus 2021 in zaak nr. NL21.10754 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 30 juni 2021 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, en tegen hem een inreisverbod uitgevaardigd.
Bij uitspraak van 17 augustus 2021 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd voor zover het gaat over het reële risico als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 en het inreisverbod, en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.M. Straver, advocaat te Utrecht, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven en incidenteel hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1. De rechtbank heeft overwogen dat sprake is van ongerijmde en bevreemdende aspecten die gaan over de kern van het relaas, waardoor de staatssecretaris het asielrelaas niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Daarbij heeft zij overwogen dat de door de vreemdeling overgelegde documenten het asielrelaas ook niet onderbouwen. De rechtbank heeft verder overwogen dat de staatssecretaris ondeugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een risico op ernstige schade als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 bij terugkeer naar Tadzjikistan. De rechtbank heeft bij haar oordeel betrokken dat de vreemdeling met de overgelegde documenten aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de belangstelling staat van de Tadzjiekse autoriteiten.
Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling
2. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling over de beoordeling van het asielrelaas leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het incidenteel hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Het hoger beroep van de staatssecretaris
3. De staatssecretaris klaagt in zijn eerste grief terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de vreemdeling met de overgelegde documenten heeft onderbouwd dat hij in de belangstelling staat van de Tadzjiekse autoriteiten. Dat is niet te rijmen met het feit dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris het relaas van de vreemdeling ongeloofwaardig mocht achten. Bovendien heeft de rechtbank de overgelegde documenten niet beoordeeld in samenhang met de verklaringen van de vreemdeling. De staatssecretaris voert verder terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat die documenten, waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld, op verschillende punten bevreemdend zijn. Zo gaan de wetsartikelen in het document f) ‘Oproep rechercheur’ van 23 maart 2018 volgens landeninformatie niet over het niet verschijnen naar aanleiding van een oproep. Daarnaast heeft de staatssecretaris in het verweerschrift bij de rechtbank terecht opgemerkt dat het opmerkelijk is dat de documenten zo laat zijn opgesteld en dat de documenten in het licht van de verklaringen niet logisch zijn. Tot slot voert de staatssecretaris terecht aan dat de vreemdeling ook niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij anderszins heeft te vrezen voor de Tadzjiekse autoriteiten. De staatssecretaris heeft daarbij terecht van belang geacht dat de vreemdeling legaal is uitgereisd.
3.1. De rechtbank heeft gelet op het voorgaande niet onderkend dat de staatssecretaris deugdelijk heeft gemotiveerd dat de vreemdeling het risico om bij terugkeer in Tadzjikistan in detentie te komen niet aannemelijk heeft gemaakt. De staatssecretaris hoeft daarom geen nader onderzoek te doen naar de omstandigheden in detentie.
3.2. De grief slaagt.
Conclusie hoger beroepen
4. Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond. Het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. Omdat er geen beroepsgronden zijn die bespreking behoeven, is het beroep alsnog ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond;
II. verklaart het incidenteel hoger beroep van de vreemdeling ongegrond;
III. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht van 17 augustus 2021 in zaak nr. NL21.10754;
IV. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. E. Steendijk en mr. M. Soffers, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2023
872