ECLI:NL:RVS:2023:3230
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging last onder dwangsom voor terugbrengen schuilschuur naar vergunde afmeting
Het college van burgemeester en wethouders van Altena legde appellant een last onder dwangsom op om de schuilschuur op haar perceel terug te brengen naar de oorspronkelijk vergunde afmeting van 18 m2, omdat de bestaande schuilschuur 40,5 m2 beslaat en zonder vergunning is gebouwd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat zij niet als overtreder kan worden aangemerkt omdat de schuilschuur door haar overleden echtgenoot is gebouwd en zij geen concrete aanwijzingen had van de overtreding.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat appellant als eigenaar verantwoordelijk is voor het in stand houden van het bouwwerk zonder vergunning, ongeacht wie het heeft gebouwd. Het college was bevoegd om handhavend op te treden. Appellant voerde ook aan dat bijzondere omstandigheden, zoals rechtszekerheid en concreet zicht op legalisatie, handhaving in de weg stonden. De Afdeling verwierp dit, stellende dat de situatie niet vergelijkbaar is met jurisprudentie over rechtszekerheid bij verkrijging na 1 april 2007 en dat het zicht op legalisatie ontbreekt omdat een eerdere vergunning is geweigerd en die weigering onherroepelijk is.
Verder oordeelde de Afdeling dat het terugbrengen van de schuilschuur naar 18 m2 mogelijk is en dat financiële gevolgen voor appellant voor eigen rekening komen. Ook het verkorten van de begunstigingstermijn en het ontbreken van direct zicht van een buurman op de schuilschuur vormen geen bijzondere omstandigheden. Ten slotte werd het beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de last onder dwangsom wordt bevestigd.