ECLI:NL:RVS:2023:3058
Raad van State
- Hoger beroep
- G.T.J.M. Jurgens
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven na mishandeling en seksueel misbruik
Appellante verzocht om een uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens mishandeling en seksueel misbruik door haar ex-partner in de periode eind 2011 tot medio 2012. De commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) wees de aanvraag in 2017 af wegens onvoldoende bewijs van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf. Diverse bezwaren en verzoeken tot herziening werden eveneens afgewezen.
De rechtbank Rotterdam bevestigde in mei 2022 het besluit van de CSG, stellende dat de overgelegde stukken onvoldoende nieuwe feiten of veranderde omstandigheden bevatten om het eerdere besluit te herzien. Appellante stelde in hoger beroep dat zij met haar eigen verklaring en aanvullende stukken, waaronder een aangifte uit 2011, aannemelijk had gemaakt slachtoffer te zijn van een ernstig geweldsmisdrijf.
Naar aanleiding van het hoger beroep herzag de CSG in juni 2023 haar eerdere besluit en kende een uitkering van € 2.500 toe voor huiselijk geweld, maar wees de vergoeding voor het vermeende zedenmisdrijf af wegens gebrek aan objectieve aanwijzingen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigde deze beslissing en oordeelde dat de stukken onvoldoende bewijs leveren voor het zedenmisdrijf, waardoor de lagere uitkering passend is.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep en het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond en wees proceskostenvergoedingen af.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de uitkering voor het zedenmisdrijf en handhaaft een beperkte uitkering voor huiselijk geweld.