ECLI:NL:RVS:2023:3046

Raad van State

Datum uitspraak
9 augustus 2023
Publicatiedatum
9 augustus 2023
Zaaknummer
202006392/1/V3
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59a Vw 2000Art. 91, tweede lid, Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging onrechtmatige bewaring vreemdeling wegens verstreken overdrachtstermijn Dublinverordening

Bij besluit van 16 november 2020 stelde de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de vreemdeling in bewaring. De rechtbank Den Haag verklaarde op 23 november 2020 het beroep van de vreemdeling gegrond, oordeelde dat de maatregel van bewaring onrechtmatig was vanaf het begin en beval de opheffing van de bewaring. Tevens werd schadevergoeding toegekend.

De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. Deze oordeelde dat het bezwaar van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfstitel als slachtoffer van mensenhandel de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening niet opschortte. Hierdoor was de uiterste overdrachtstermijn verstreken bij het opleggen van de bewaring, wat betekende dat de staatssecretaris een verkeerde wettelijke grondslag (artikel 59a Vreemdelingenwet 2000) hanteerde.

De Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank en wees het hoger beroep van de staatssecretaris af. Er was geen aanleiding tot ambtshalve toetsing en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 9 augustus 2023 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat de bewaring onrechtmatig was en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris ongegrond.

Uitspraak

202006392/1/V3.
Datum uitspraak: 9 augustus 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats 's-­Hertogenbosch, van 23 november 2020 in zaak nr. NL20.19801 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 16 november 2020 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij mondelinge uitspraak van 23 november 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen de afwijzing van zijn aanvraag van een verblijfstitel als slachtoffer van mensenhandel heeft de overdrachtstermijn in het kader van de Dublinverordening niet opgeschort. De Afdeling wijst op haar uitspraak van 5 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2593, onder 5. De rechtbank heeft gelet daarop terecht overwogen dat de uiterste overdrachtstermijn was verstreken ten tijde van het opleggen van de maatregel, waardoor de staatssecretaris een verkeerde grondslag heeft gebruikt voor de bewaring (artikel 59a van de Vw 2000).
1.1.    Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
2.       Omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig is, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M. Soffers, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Soffers
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 9 augustus 2023
873