ECLI:NL:RVS:2023:3

Raad van State

Datum uitspraak
2 januari 2023
Publicatiedatum
2 januari 2023
Zaaknummer
202206117/1/V1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 6:20 AwbArt. 6:24 Awbartikel 1 Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND
Verwijzingen
8 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak rechtbank over niet tijdig besluit verblijfsvergunning asiel

De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank Den Haag verklaarde dit beroep gegrond, vernietigde het niet tijdig genomen besluit en gaf de staatssecretaris een termijn van acht weken om alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.

De staatssecretaris nam vervolgens bij besluit van 22 september 2022 de aanvraag van de vreemdeling inwilligend tegemoet. De vreemdeling ging hiermede akkoord. Tegen de uitspraak van de rechtbank stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat het hoger beroep geen nieuwe relevante rechtsvragen bevat die beantwoording behoeven in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Het hoger beroep is daarom ongegrond en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Omdat het besluit van 22 september 2022 de aanvraag geheel tegemoetkomt, is er geen beroep van rechtswege ontstaan waarop de Afdeling nog moet beslissen. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt daarmee de uitspraak van de rechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

202206117/1/V1.
Datum uitspraak: 2 januari 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 25 oktober 2022 in zaak nr. NL22.14633 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
De vreemdeling heeft beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen.
Bij besluit van 22 september 2022 heeft de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling ingewilligd.
Bij uitspraak van 25 oktober 2022 heeft de rechtbank dat beroep gegrond verklaard, het met een besluit gelijk te stellen niet tijdig nemen van een besluit vernietigd, de staatssecretaris opgedragen binnen acht weken een besluit op de aanvraag te nemen en bepaald dat de staatssecretaris aan de vreemdeling een dwangsom van € 100,00 verbeurt voor elke dag waarmee hij die termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,00.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Krikke, advocaat te Bussum, hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
1.1.    Het hoger beroep gaat namelijk onder meer over een rechtsvraag die eerder door de Afdeling is beantwoord (uitspraak van 30 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3352, onder 5 tot en met 5.5, over artikel 1 van Pro de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND, zoals die luidt sinds 11 juli 2021, en het Unierechtelijk gelijkwaardigheidsbeginsel). Het hoger beroep biedt geen reden hierover in dit geval anders te oordelen.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
3.       Omdat de staatssecretaris de aanvraag van de vreemdeling bij besluit van 22 september 2022 heeft ingewilligd en de vreemdeling desgevraagd heeft aangegeven dat hij het daarmee eens is, komt het besluit geheel aan het beroep tegemoet en is geen beroep van rechtswege als bedoeld in artikel 6:20, derde lid, en artikel 6:24 van Pro de Awb ontstaan waarop de Afdeling nog moet beslissen.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. E.G. Nuboer, griffier.
w.g. Verheij
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Nuboer
griffier
927