ECLI:NL:RVS:2023:258
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag na onderzoek echtheid vonnis Iran
De vreemdeling uit Iran heeft meerdere asielaanvragen in Nederland gedaan, waarvan de laatste werd afgewezen door de staatssecretaris wegens niet-ontvankelijkheid. De aanvraag was gebaseerd op een vonnis uit Iran dat zijn straf voor christelijke geloofsactiviteiten bevestigde. De staatssecretaris liet dit vonnis onderzoeken door Bureau Documenten (BD), dat twijfels had over de echtheid. De vreemdeling bracht een contra-expertise in die de echtheid bevestigde, waarop BD een weerwoord gaf dat de staatssecretaris meenam in zijn besluit.
De rechtbank vernietigde het besluit tot niet-ontvankelijkheid maar liet de rechtsgevolgen in stand, waardoor de aanvraag kon worden afgewezen als kennelijk ongegrond. De vreemdeling ging in hoger beroep met vier grieven, waaronder bezwaren tegen de procedure en de beoordeling van het bewijs.
De Raad van State oordeelde dat de grieven onvoldoende reden geven tot vernietiging van het vonnis van de rechtbank. De Raad bevestigde dat de staatssecretaris zijn vergewisplicht had nageleefd door BD te betrekken en dat de vreemdeling niet in zijn belangen was geschaad doordat hij in de beroepsfase alsnog kon reageren. De procedure was zorgvuldig en de inhoudelijke beoordeling van het vonnis en de strafbepalingen was niet onjuist.
Daarmee verklaarde de Raad het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee de niet-ontvankelijkverklaring van de asielaanvraag stand hield. De staatssecretaris werd niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.