ECLI:NL:RVS:2023:2493
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank wegens niet-ontvankelijkheid beroep bij ontbreken machtiging
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft aan appellant bericht dat hij een lening moet terugbetalen. Namens appellant is bezwaar gemaakt door een gemachtigde zonder overgelegde machtiging. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van een machtiging. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep niet-ontvankelijk vanwege termijnoverschrijding.
In hoger beroep stond centraal of de rechtbank het beroep terecht niet-ontvankelijk had verklaard. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister niet aannemelijk had gemaakt dat het besluit correct en naar het juiste adres was verzonden, waardoor het niet vaststaat dat appellant het besluit heeft ontvangen.
Desondanks werd het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard omdat de gemachtigde geen machtiging had overgelegd. De Afdeling vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd wegens onvoldoende aannemelijkheid van verzending, maar het bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken machtiging.