ECLI:NL:RVS:2023:2420
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaren tegen hogere NOx-emissiegrenswaarden voor stookinstallaties
De Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) verzocht de minister van Economische Zaken en Klimaat om hogere emissiegrenswaarden voor stikstofoxiden (NOx) vast te stellen voor 23 stookinstallaties in Groningen en Drenthe. De minister nam afzonderlijke besluiten die deze maatwerkvoorschriften vastlegden. Appellanten, wonend nabij enkele van deze installaties, maakten bezwaar tegen deze besluiten, maar werden door de minister niet-ontvankelijk verklaard omdat zij geen belanghebbenden zouden zijn.
De rechtbank bevestigde dit standpunt na een deskundigenrapport van de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (STAB), waarin werd geconcludeerd dat de hogere emissiegrenswaarden geen nadelige gevolgen voor de luchtkwaliteit bij de woningen van appellanten veroorzaken. Appellanten voerden aan dat de rechtbank ten onrechte geen rekening hield met Europese jurisprudentie en dat de cumulatieve effecten van alle besluiten niet waren onderzocht.
De Raad van State oordeelt dat de zienswijzeprocedure niet van toepassing is en dat de minister terecht heeft geoordeeld dat appellanten geen belanghebbenden zijn, omdat de maatwerkvoorschriften alleen betrekking hebben op luchtverspreiding van NOx en geen ondergrondse effecten veroorzaken. Het deskundigenrapport werd niet met concrete tegenargumenten weerlegd. De hogere emissiegrenswaarden wijzigen niets aan de reeds bestaande situatie en veroorzaken geen gevolgen van enige betekenis voor appellanten.
De Raad van State verklaart de hoger beroepen ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat appellanten geen belanghebbenden zijn en verklaart het hoger beroep ongegrond.