ECLI:NL:RVS:2023:2298

Raad van State

Datum uitspraak
14 juni 2023
Publicatiedatum
14 juni 2023
Zaaknummer
202105944/1/V2
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArtikel 91 Vw 2000
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging rechtbankuitspraak over afwijzing verblijfsvergunning asiel en terugkeerbesluit

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 31 januari 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af, weigerde een reguliere verblijfsvergunning en legde een terugkeerbesluit op. Dit terugkeerbesluit werd op 16 februari 2021 ingetrokken. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond, vernietigde het besluit van 31 januari 2020 en beval een nieuw besluit.

Zowel de vreemdeling als de staatssecretaris gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep van de vreemdeling niet tot vernietiging leidt en bevestigde de uitspraak van de rechtbank met een verbeterde motivering. De Afdeling stelde dat de staatssecretaris onder omstandigheden volstaat met een afwijzend besluit op de asielaanvraag en het terugkeerbesluit kan uitstellen in verband met onderzoek naar adequate opvang in het land van terugkeer.

De Afdeling constateerde echter een motiveringsgebrek in het besluit van 31 januari 2020 en de intrekking van het terugkeerbesluit, omdat niet was toegelicht waarom het onderzoek naar adequate opvang nog niet was afgerond of nog moest plaatsvinden. De grieven van de staatssecretaris faalden. De Afdeling bevestigde dat de staatssecretaris de asielaanvraag terecht heeft afgewezen, maar dat een nieuw besluit moet worden genomen. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ten behoeve van de vreemdeling.

Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt de uitspraak van de rechtbank en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

202105944/1/V2.
Datum uitspraak: 14 juni 2023
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op de hoger beroepen van:
1.       [de vreemdeling],
2.       de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch, van 17 augustus 2021 in zaak nr. NL20.4283 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen, geweigerd hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen en hem opgedragen Nederland binnen vier weken te verlaten (dit laatste hierna: terugkeerbesluit).
Bij besluit van 16 februari 2021 heeft de staatssecretaris het terugkeerbesluit ingetrokken.
Bij uitspraak van 17 augustus 2021 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 31 januari 2020 vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M.M.J. van Zantvoort, advocaat te 's-Hertogenbosch, en de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De staatssecretaris heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
Hoger beroep van de vreemdeling
1.       Het hoger beroep van de vreemdeling leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
Hoger beroep van de staatssecretaris
2.       De door de staatssecretaris in zijn grieven opgeworpen rechtsvragen heeft de Afdeling beantwoord in haar uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1530, onder 14-19.3. Die uitspraak gaat over het arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2021, TQ, ECLI:EU:C:2021:9, en de gevolgen daarvan voor het Nederlandse asielbeleid voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Toepassing daarvan in de voorliggende zaak leidt tot het volgende.
2.1.    De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris is gehouden een meeromvattende beschikking te nemen op de asielaanvraag van de vreemdeling. De staatssecretaris kan namelijk onder omstandigheden volstaan met een afwijzend besluit op de asielaanvraag en het nemen van een terugkeerbesluit uitstellen in verband met een nog uit te voeren onderzoek naar adequate opvang in het land van terugkeer (zie voormelde uitspraak van 8 juni 2022, onder 15-19.3). De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat al uit de intrekking van het terugkeerbesluit moet worden afgeleid dat de staatssecretaris niet kan garanderen dat adequate opvang in het land van terugkeer aanwezig is en dat terugkeer voor de vreemdeling niet mogelijk is. Daarom kon de rechtbank ook niet overwegen dat de vreemdeling met ingang van de datum van zijn asielaanvraag recht heeft op een reguliere verblijfsvergunning onder de beperking 'amv die buiten zijn schuld niet uit Nederland kan vertrekken'. Niettemin is de staatssecretaris gehouden om bij het onderzoek naar adequate opvang voortvarend te handelen omdat een niet-begeleide minderjarige niet onnodig lang in onzekerheid mag verkeren over zijn verblijfsstatus. In dit geval heeft de staatssecretaris in het besluit van 31 januari 2020 noch bij de intrekking van het terugkeerbesluit op 16 februari 2021 toegelicht waarom het onderzoek naar adequate opvang nog niet is afgerond of nog moet plaatsvinden. Evenmin heeft de staatssecretaris uiteengezet welk onderzoek hij nog zou doen en hoe lang dat onderzoek naar verwachting nog zou duren. Het besluit van 31 januari 2020 en de intrekking van het terugkeerbesluit op 16 februari 2021 bevatten dan ook een motiveringsgebrek.
2.2.    De grieven falen.
Conclusie en afsluiting
3.       De hoger beroepen zijn ongegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd met verbetering van de gronden waarop zij rust. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
4.       Uit wat is overwogen onder 1 van deze uitspraak volgt dat de staatssecretaris de asielaanvraag van de vreemdeling terecht heeft afgewezen. Niettemin zal hij voor de vreemdeling een nieuw besluit moeten nemen. Daarvoor wijst de Afdeling op wat zij heeft overwogen in haar uitspraak van 8 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1531, onder 5.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        bevestigt de uitspraak van de rechtbank;
II.       veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het hoger beroep van de staatssecretaris opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 837,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Wissels, voorzitter, en mr. J.Th. Drop en mr. B. Meijer, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.R. Trox, griffier.
w.g. Wissels
voorzitter
w.g. Trox
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2023
968