ECLI:NL:RVS:2023:179
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit zandopslag in beschermingszone waterkering wegens gebrekkige motivering
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 18 januari 2023 uitspraak gedaan in het hoger beroep van [appellant] tegen het besluit van het college van dijkgraaf en heemraden van Waterschap Rivierenland van 23 september 2019. In een eerdere tussenuitspraak van 13 april 2022 was het college opgedragen het gebrek in het besluit te herstellen door nadere motivering te geven over de vergunningplicht en het overgangsrecht met betrekking tot het gebruik van een zanddepot.
Het college heeft vervolgens toegelicht dat de activiteiten van [bedrijf] al in 2017 zijn vergund met een watervergunning van de minister van Infrastructuur en Milieu. Het college stelde dat de feitelijke situatie overeenkomt met de vergunde situatie en dat de opslag van zand plaatsvindt op het vlakke deel van het perceel, niet op de glooiing (talud) van de dijk. [Appellant] betwistte dit en stelde dat de opslag deels op het talud plaatsvindt en dat de situatie is gewijzigd.
De Afdeling oordeelt dat het college het gebrek in de motivering heeft hersteld en dat het besluit van 23 september 2019 vernietigd moet worden wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtsgevolgen van het besluit blijven echter in stand. Tevens wordt het college veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van [appellant], inclusief het griffierecht. De uitspraak van de rechtbank Gelderland wordt eveneens vernietigd.
Uitkomst: Het besluit van het college over de zandopslag wordt vernietigd wegens gebrekkige motivering, maar de rechtsgevolgen blijven in stand en het college wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.