ECLI:NL:RVS:2023:1751
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling zonder voorafgaand recht op advocaat
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 20 januari 2023 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die dit op 7 februari 2023 ongegrond verklaarde. In hoger beroep betoogde de vreemdeling dat hij voorafgaand aan de maatregel recht had op rechtsbijstand in het bijzijn van een advocaat, verwijzend naar paragraaf A5/6.5 van de Vreemdelingenwet 2000.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat deze paragraaf niet van toepassing is op vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000. De Afdeling stelde vast dat het verschil in rechtsbijstandbeleid geen ongerechtvaardigd onderscheid oplevert en dat de rechtsbescherming voldoende is gewaarborgd. Tevens werd het beroep op het Unierechtelijk gelijkheidsbeginsel verworpen omdat de procedures niet vergelijkbaar zijn.
De vreemdeling stelde een prejudiciële vraag voor, maar de Afdeling vond geen aanleiding deze te stellen gezien de duidelijke jurisprudentie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de vrijheidsontnemende maatregel bevestigd.