ECLI:NL:RVS:2023:1634
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging dat appellant rijexamen moet afleggen ondanks gerechtvaardigd vertrouwen
Appellant verloor zijn rijbewijs op 17 augustus 2018 wegens twee alcoholgerelateerde veroordelingen binnen vijf jaar. Hij vroeg het CBR om een verklaring van geschiktheid voor rijbewijscategorieën B, BE en T. Het CBR volgde het advies van een arts en verklaarde appellant rijgeschikt tot 7 november 2022, met de mededeling dat hij een rijexamen kon aanvragen.
Appellant begreep niet goed of hij opnieuw een rijexamen moest afleggen en kreeg van de CBR-klantenservice te horen dat dit niet nodig was. De gemeente weigerde echter medewerking aan het aanvragen van een nieuw rijbewijs zonder rijexamen, waarop appellant bezwaar maakte tegen het besluit van het CBR.
De rechtbank oordeelde dat appellant gerechtvaardigd vertrouwen had dat hij geen rijexamen hoefde te doen, maar dat het CBR het zwaardere belang van verkeersveiligheid mocht laten prevaleren en het besluit vernietigde met behoud van rechtsgevolgen. In hoger beroep bevestigt de Afdeling dat appellant een verklaring van rijvaardigheid moet aanvragen en een rijexamen moet afleggen, omdat de recidiveregeling dit vereist. Het gerechtvaardigd vertrouwen kan niet worden gehonoreerd vanwege het algemene belang van verkeersveiligheid.
De Afdeling stelt dat het CBR het bezwaar van appellant had moeten aanmerken als een aanvraag voor een verklaring van rijvaardigheid. Het CBR heeft echter inhoudelijk geoordeeld dat een rijexamen nodig is. De Afdeling toetst dit standpunt inhoudelijk en bevestigt de uitspraak van de rechtbank. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Appellant moet een rijexamen afleggen voordat hij een nieuw rijbewijs kan krijgen, ondanks gewekt gerechtvaardigd vertrouwen.