ECLI:NL:RVS:2022:955
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- J.W. van de Gronden
- C.M. Wissels
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing stageverklaring en inschrijving advocaat wegens niet voldoen aan vereisten
Appellant was van 1995 tot 2001 als advocaat ingeschreven maar werd wegens arbeidsongeschiktheid van het tableau geschrapt zonder dat hij een stageverklaring had verkregen. In 2019 verzocht hij om inschrijving als advocaat en om afgifte van een stageverklaring, hetgeen door de raad van de Amsterdamse Orde werd afgewezen omdat appellant niet voldeed aan de vereisten van artikel 3.2 van de Verordening op de advocatuur (Voda), onder meer vanwege onvoldoende praktijkervaring en verlopen opleidingspunten.
De algemene raad verklaarde het administratief beroep van appellant ongegrond en de rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat appellant geen belang zou hebben bij zijn beroep. Appellant stelde dat de rechtbank onjuist had geoordeeld en dat de stageverklaring ook aan niet-ingeschreven advocaten kan worden verstrekt, en dat sprake was van discriminatie.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat een stageverklaring alleen aan ingeschreven advocaten kan worden verstrekt, ter waarborging van de kwaliteit van de advocatuur. Er is geen sprake van discriminatie omdat de regels zijn ingesteld om de kwaliteit en bescherming van de advocatuur te waarborgen. Het beroep van appellant is ongegrond en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
De vennootschappen die appellant had opgericht werden niet als belanghebbenden aangemerkt omdat hun belangen afgeleid zijn van die van appellant. Het Hof van Discipline had eerder het beklag van appellant tegen de weigering van inschrijving ongegrond verklaard wegens gegronde vrees voor schending van de Advocatenwet.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek om stageverklaring en inschrijving als advocaat wordt bevestigd.