ECLI:NL:RVS:2022:795
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatigheid bewaring wegens onjuiste wettelijke grondslag ophouding
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 16 november 2021 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en oordeelde dat de ophouding op een onjuiste wettelijke grondslag was gebaseerd, waardoor de maatregel onrechtmatig was. De rechtbank beval de opheffing van de bewaring en kende schadevergoeding toe.
De staatssecretaris ging in hoger beroep tegen deze uitspraak, maar de Raad van State bevestigde het oordeel van de rechtbank. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat een onjuiste grondslag voor ophouding niet per definitie wordt gecompenseerd door de belangen van de bewaring, zeker niet wanneer geen correcte grondslag is gesteld. De enkele verwijzing naar de bewaringsgronden was onvoldoende om de belangenafweging in het voordeel van de staatssecretaris te doen uitvallen.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die geheel toerekenbaar waren aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.