ECLI:NL:RVS:2022:750
Raad van State
- Hoger beroep
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf in hoger beroep vreemdelingenrecht
Bij besluit van 23 januari 2020 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Hiertegen maakte de referent bezwaar, dat op 10 september 2020 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling en de referent beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 2 maart 2021 het beroep ongegrond verklaarde.
De referent stelde hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die relevant zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, en dat de rechtsvraag reeds eerder door de Afdeling was beantwoord in een uitspraak van 26 januari 2022.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De staatssecretaris is niet verplicht proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 16 maart 2022.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.