ECLI:NL:RVS:2022:722
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring in asielprocedure wegens vermeend gebrek aan belang
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 10 november 2021 werd afgewezen. Vervolgens verklaarde de rechtbank Den Haag het door de vreemdeling ingestelde beroep op 19 januari 2022 niet-ontvankelijk omdat zij oordeelde dat de vreemdeling geen belang meer stelde in de procedure.
De vreemdeling stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat hij geen prijs meer stelde op internationale bescherming, mede omdat hij vanwege strafrechtelijke detentie tijdelijk geen contact kon opnemen met zijn gemachtigde. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank onvoldoende rekening had gehouden met de omstandigheden, waaronder het recente contact tussen vreemdeling en gemachtigde en het fundamentele recht op toegang tot de rechter.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verwees de zaak terug voor inhoudelijke behandeling. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep vernietigd en de zaak terugverwezen naar de rechtbank.