ECLI:NL:RVS:2022:703
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep wegens gebrek aan procesbelang na intrekking uitritvergunning
Het college van burgemeester en wethouders van Zaanstad verleende op 22 februari 2019 een omgevingsvergunning voor het aanleggen van een uitweg aan de achterzijde van een locatie te Zaandam. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat bij besluit van 29 juli 2019 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit niet-ontvankelijk omdat de vergunning op 29 september 2020 was ingetrokken, waardoor appellant geen belang meer had bij de uitspraak.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel procesbelang had, onder meer omdat hij belang hechtte aan een inhoudelijk oordeel om in overleg te treden met het college. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog echter dat het intrekken van de vergunning de besluiten van 22 februari 2019 en 29 juli 2019 betekenisloos maakt voor appellant. Bovendien geldt dat een bestuursrechter alleen een beroep beoordeelt als er een actueel en reëel belang is.
De enkele stelling van appellant dat het college fouten heeft gemaakt en dat hij daarom een inhoudelijk oordeel wenst, is onvoldoende om procesbelang aan te nemen. De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd wegens gebrek aan procesbelang.